Filmmiddag maakt Indische spagaat zichtbaar

filmmiddagDen Haag/Amsterdam, 12 januari 2009

door Kirsten Vos en Ed Caffin

Zondag 11 januari beleefden vier Pathé-theaters in Nederland een ware Indische invasie. Ruim 1.500 Indische Nederlanders bezochten in Rotterdam, Den Haag, Groningen en Amsterdam de filmvertoningen van Het jaar 2602 en Contractpensions – Djangan Loepah. Amsterdam en Den Haag waren zelfs helemaal uitverkocht. Diezelfde dag maakten niet alleen de films, maar ook de bezoekers pijnlijk duidelijk dat de Indische tegenstellingen tussen ‘wit’ en ‘bruin’ nog steeds lijken te bestaan.

Na wat vertraging, waarin de spekkoek en koffie niet aan te slepen waren, ging het programma van start. Dankzij de gezamenlijke actie van Darah Ketiga, Nederlands-Indië hyves en Indisch 3.0 was de derde generatie Indische Nederlanders in Amsterdam met bijna 100 jongeren goed vertegenwoordigd. Ruim op tijd zaten we klaar voor de première van Het jaar 2602, na een inleiding van onder meer Jan van der Dussen (stichting Verfilming Japanse Burgerkampen) en Peter Neep (stichting het Gebaar).

De film Het jaar 2602 bestond uit een serie interviews, afgewisseld met ‘home-videos’ uit de tempo doeloe tijd. De kinderen uit de Jappenkampen, nu zestigers, zeventigers en tachtigers, vertelden op indringende wijze op het grote doek over hun persoonlijke herinneringen aan de kamptijd. Bijzonder was dat ieder van hen het leven in het kamp door kinderogen gezien had, en zich vaak pas later realiseerde hoe erg, pijnlijk of vervreemdend hun ervaringen waren geweest. De gebeurtenissen in het kamp waren niet realistisch, dachten zij als kinderen: het was niet écht, buiten het kamp zou alles weer normaal worden. Zo was een van de geinterviewden door de Japanners als kind van zijn vader gescheiden. Hij besefte pas ruim veertig jaar later, staande bij het graf van zijn vader, dat hij hem echt nooit meer terug zou zien. Al die jaren had hij gehoopt dat zijn vader op een dag terug zou komen.

Ondanks dat de film een belangrijk, en tot nu toe onderbelicht deel van het Nederlandse oorlogsverleden vastgelegd heeft, waren de reacties na afloop wisselend. Dit had te maken met de afkomst van de geinterviewden en het verhaal dat zij vertelden. De hoofdrolspelers in 2602 waren namelijk overwegend totoks (volbloed Nederlanders). Er waren twee Indo-Europeanen (gemengde afkomst) bij, maar die waren voor Nederlanders nauwelijks als zodanig te herkennen. Daarnaast vertelden deze twee niets over het verhaal van de geïnterneerde Indo-Europese groep, zoals het moeten kiezen tussen Nederland en Indonesië, of de rol die Indo-Europeanen speelden in de kampen. De regisseurs zijn nog niet beschikbaar geweest voor commentaar op deze keuze.

Een film over ervaringen van Indische Nederlanders in het Jappenkamp lijkt pijnlijk incompleet wanneer slechts een deel van die ervaringen wordt belicht. Hoewel beide groepen voor een deel dezelfde ervaringen hebben gehad, waren er ook belangrijke verschillen. De Indische groep uit 2602 heeft terecht eindelijk erkenning gekregen voor hun oorlogservaringen, het wachten is op de – blijkbaar echt – andere groep van Indo-Europeanen. Hopelijk helpt deze scheidslijn in elk geval om de Nederlands-Indische oorlogservaringen te kunnen vertellen aan het Nederlandse publiek.

In de tweede documentaire Contractpensions – Djangan Loepah!, die in 2008 in première ging, vertelt regisseur Hetty Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal van de overwegend Indo-Europese repatrianten die hun eerste tijd in Nederland in contractpensions doorbrachten. De verhalen over de soms pijnlijke en vaak bizarre ervaringen van de Indische Nederlanders die na aankomst in Nederland in tijdelijke contractpensions terechtkwamen, rolden zich uit over de aanwezigen. Ook hier zorgden de uitspraken van het bonte gezelschap dat in de film aan het woord kwam weer voor grote hilariteit, op andere momenten voor grote verontwaardiging en ontroering. De film van Hetty Naaijkens, die inhoudelijk overigens perfect aansloot op Het jaar 2602, was daarom een prachtige afsluiting van een opvallend Indische middag in een koud Amsterdam.

Ondanks dat het begrijpelijk is dat vele bioscoopbezoekers in Amsterdam wellicht overmand waren door emoties na het zien van 2602, was het bevreemded om te zien dat een groot deel van de 800 aanwezigen in Amsterdam na de pauze niet meer terugkwam om naar Contractpensions te kijken. Door dit vertrek werd, waarschijnlijk niet eens opzettelijk, duidelijk dat er nog steeds een scherpe tweedeling bestaat in de Indische gemeenschap. De totoks, de ‘witte’ repatrianten, hadden namelijk nauwelijks in contractpensions hoeven wonen: het was niet hun verhaal dat na de pauze verteld werd, maar dat van de ‘bruine’ repatrianten. Het is het bijna onwerkelijk om te zien dat, 60 jaar na de soevereiniteitsoverdracht, deze Indische spagaat onbewust nog steeds aanwezig is.