Indisch3 favo recept 7: sambal goreng telor

In het kader van het tweejarig bestaan staat deze week in het thema van: eten! Elke dag vind je op de blog een nieuw recept van de gerechten die we als redacteuren gemaakt hebben voor onze kumpulan op 23 april. De gerechten die we daar gemaakt hebben, zijn onze favoriete Indische gerechten. Hierbij het laatste recept uit deze jubilieumserie: sambal goreng telor!

Sambal goreng telor. Foto: http://farm1.static.flickr.com

Het is al lang Pasen geweest, maar toch heb ik een stuk of dertig eieren gekookt voor onze gasten op de Indisch3 kumpulan. Ik heb ze vervolgens verstopt in een heerlijke saus… Er zijn vele varianten te bedenken op dit simpele maar zeer lekkere gerecht, sambal goreng telor. Dit recept knipte ik ooit uit de Volkskrant en komt van niet-Indo Sylvia Witteman. Ik heb er zelf wat dingen aan toegevoegd – je blijft toch een Indo. Eigenlijk had het natuurlijk een authentiek recept van mijn Indische oma moeten zijn, maar die was vooral goed in het maken van risolles, frikadel goreng en seroendeng. Ooit erfde ik de spatel waarmee ze in de pannetjes roerde, dus die zal ik zeker gebruiken bij het maken van dit gerecht. Is ze er toch een beetje bij, bij het verjaardagsfeest!

8 eieren, hardgekookt en gepeld
scheutje zonnebloemolie
1 grote ui, gesnipperd
2 salam blaadjes
zout
2 tenen knoflook, gesnipperd
2 fijngesneden tomaten of scheut gezeefde tomaat uit pak
2 cm laos, fijngesneden (of 2 theelepels laospoeder)
1 stengel sereh
Citroensap
Klein stukje verkruimelde trassi
2 dl kokosmelk
Stukje gula djawa of schepje bruine suiker
Sambal oelek naar smaak

Fruit de ui en knoflook glazig, met de laos en verkruimelde trassi.
Fruit daarna de stukjes tomaat mee, of giet er een flinke scheut gezeefde tomaat bij.
Plet het dikke stuk van de sereh, leg er een knoop in en doe het erbij samen met de sambal, gula djawa en kokosmelk, voeg citroensap toe en breng alles zachtjes aan de kook.
Laat 5 minuten pruttelen, als het te dik wordt wat water toevoegen.
Proef op zout, suiker, citroensap en sambal, verwijder de sereh.
Warm nu de eieren langzaam op in de hete saus, een minuut of tien.
Snijd de eieren doormidden en schep de saus erover.

Zoenen op de Tong-Tong Fair

Indische zoenen zijn anders dan Hollandse. Indische mensen raken de wang van hun ‘slachtoffer’ niet of nauwelijks aan, Hollanders planten drie klapzoenen midden op je wang. Zelf zweef ik daar een beetje tussen in, zoals wel vaker het geval is.

Lang tong
Ik moest erg lachen toen ik bij de laatste Indisch3.0 vergadering hoorde over een jonge Indo die dacht dat ‘Tong Tong Fair’ iets met zoenen te maken had. Ik zag meteen innig verstrengelde bezoekers voor me op rotan bankjes bij de ingang. De anekdote deed me nadenken over het verschil tussen de Indische en Hollandse manier van zoenen. Dan heb ik het dus niet over de ‘lang tong’ variant, maar het gewone alledaagse zoenen ter begroeting of bij het afscheid nemen. De een- twee of drievoudige wangkus dus.

Begroetingsrituelen blijven cultureel bepaald.

Neus

Mijn ervaring met begroetingen van Indische ooms en tantes is dat ze gepaard gaan met veel opgewonden gebabbel en zoenen in de lucht of half schampend langs de wang. Belangrijk hierbij is dat door de neus wordt ingeademd. De geur van iemand die je zoent is heel belangrijk. Tijdens het Indische begroetingsritueel wordt even aan elkaar ‘gesnuffeld’. Het is niet zo als bij de Eskimo’s, die ‘neuzen’ in plaats van zoenen, maar de neus is wel een belangrijk onderdeel van het ritueel.

Derde zoen
In Nederland steekt van tijd tot tijd het verzet tegen de derde zoen de kop op. Waarom geven wij DRIE zoenen bij een begroeting of afscheid? Links, rechts, links, ook als je mensen maar oppervlakkig kent? Je bent op die manier wel even bezig op een verjaardag. Zoen je dan iedereen, en iedereen drie keer? Veel mensen vinden het maar een klef gedoe, drie kussen op hun wang, en trekken hun hoofd al na twee zoenen terug. Met alle genante situaties van dien.

Drieklapper
Schrijver en taalvirtuoos Jan Kuitenbrouwer heeft een eenvoudige oplossing bedacht voor het zoendilemma. De trekproef. Bij twijfel over een kus trek je de oom, tante of vage kennis een beetje naar je toe. Stuit je op verzet, dan kun je alsnog een hand uitsteken. Maar als de ander meegeeft, dan mag er gezoend worden: tijd voor de Brabantse drieklapper. Of voor de Indische schijnkus, want het gaat immers om het gebaar?

Komedie Stamboel: Oost-Indische Opera

Stel dat ik rond 1900 in Nederlands-Indië had geleefd. Dan was ik vast Komedie Stamboel-actrice geweest. Deze Indo-Europese theatervorm is me namelijk op het lijf geschreven. Neem een mooi verhaal uit ‘Duizend en één nacht’, bewerk dit tot een toneelstuk in het Maleis, met hier en daar een Nederlands woord, laat ruimte over voor improvisatie en uitwisseling met het publiek, en nodig bevolkingsgroepen uit alle lagen van de bevolking uit. Zie daar: Komedie Stamboel, of Oost-Indische Opera, oftewel Indo-Europees volkstoneel.

Matthew Isaac Cohen's boek over Stamboel. Bron: www.library.ohiou.edu

Auguste Mahieu was de grondlegger van deze theatervorm uit Indië, hij richtte in 1891 een ‘Oost-Indische opera’ op door in Surabaya een woonhuis te huren en om te bouwen tot schouwburgzaal. Hij ging voortvarend aan de slag en bewerkte verhalen als ‘Aladin en de wonderlamp’ en ‘Ali Baba en de veertig rovers’ tot theater.

Succes
Het was een doorslaand succes, die Komedie Stamboel. Er kwamen zoveel mensen op af dat het huis in Surabaya al snel te klein werd, er moest een circustent worden opgezet om al het publiek in onder te brengen. Er volgde een tournee door heel Indië. Nadat Mahieu in 1903 overleed, kreeg hij vele opvolgers. Zo had je bijvoorbeeld het toneelgezelschap ‘Indo’s Komedie Vereeniging De Eendracht’ en ‘Opera Bangsawan’, waarbij Bangsawan ‘afstammend uit een aanzienlijk geslacht’ betekent. In Komedie Stamboel speelden namelijk vaak adellijke figuren een rol.

Istanboel
Auguste Mahieu verbond zijn voorstellingen zo sterk met het oriëntaalse, dat Komedie Stamboel een soortnaam werd voor theater voor het volk uit die tijd. Zelfs als men Europees repertoire opvoerde. Zo trad hij met zijn acteurs op met een rode fez op zijn hoofd, en de naam Komedie Stamboel komt van het woord Istanboel. Er is helaas niet erg veel bekend over deze markante figuur, er schijnt zelfs geen foto van hem te bestaan. Voor de lezers die meer willen weten: in 2006 is een Amerikaanse studie verschenen over de populaire theatervorm: The Komedie Stamboel- Popular Theater in Colonial Indonesia, 1891–1903, door Matthew Isaac Cohen.

Cabaret
Als theatermaker, opgeleid tot kleinkunstenaar, zie ik Komedie Stamboel graag als een van de grondleggers voor het hedendaagse cabaret en de kleinkunst in Nederland. Onderbouwen kan ik dit helaas niet, maar: de gedachte spreekt me aan. Komedie Stamboel was namelijk een combinatie van zang, dans, tekst en spel, en de wisselwerking met het publiek was een vast onderdeel. Vaak werd er geïmproviseerd. Net als in het cabaret in Nederland ontbreekt de ‘vierde wand’ die bij toneel wel bestaat tussen acteurs en publiek, en kan de acteur het publiek direct aanspreken. De parallel met cabaret en kleinkunst is daarom snel gelegd.

Ordinair
Helaas is Komedie Stamboel uitgestorven. Toen in Nederlands-Indië de Nederlandse taal het overnam van het Maleis als meest gesproken taal, raakten de voorstellingen uit de gratie. De theatervorm werd vooral voortgezet door Chinese en Indonesische groepen. Het volkstoneel kreeg een vaudeville-achtig karakter, en sommige Indo’s vonden het maar een ordinaire bedoening. Toch zijn er vandaag de dag in Nederland meerdere pogingen ontstaan om het volkstoneel nieuw leven in te blazen. Er is zelfs een Nederlandse toneelvereniging, Adinda, die zich uitsluitend bezighoudt met Komedie Stamboel.

Krekels
Ik krijg wel een beetje plaatsvervangende heimwee als ik denk aan dat huis in Surabaya waar avond aan avond een gemengd publiek van blanda’s, Indo’s, Chinezen, Hindoestanen, Arabieren, Javanen en Madoerezen op afkwam. Een publiek dat smulde van het orkest bestaande uit ‘piano, drie violen, een fluit, een klarinet, een cornet à piston, een trombone en een contrabas’ en van de zingende en spelende acteurs in ‘frisse costuums’. Waar ik er dan één van was, als ik toen geleefd had. Ik zie voor me dat ik iedere avond om half negen een voorstelling gaf in Surabaya, voor een dampend publiek van luid joelende en fluitende mensen, terwijl buiten de krekels hun eigen concertje weggaven.

Leestips:
Amerikaanse studie naar Stamboel (boek)

Stichting Adinda over Komedie Stamboel (site)

Meeslepende nieuwe roman van Tash Aw: ‘Kaart van een onzichtbare wereld’

Het nieuwe boek van Tash Aw, de schrijver waarover ik vorige maand al schreef , is een meeslepende roman over het Indonesië van de jaren zestig. Een roerige, en ook voor Nederland relevante periode in de geschiedenis van Indonesië. Het verhaal speelt in 1964, als President Soekarno klem zit tussen het leger en de communistische partij (PKI) en er een burgeroorlog dreigt. Tegen deze chaotische achtergrond zoekt de zestienjarige Adam zijn Nederlandse adoptievader. ‘Kaart van een onzichtbare wereld’ is, zeker met de boekenweek vlak voor de deur, een echte aanrader.

De schrijver Tash Aw – opgegroeid in Maleisië maar nu al jaren inwoner van Londen – is een echte verhalenverteller. Zijn stijl doet volgens de achterflap denken aan die van de grote Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer. Tash Aw won met zijn eerste roman ‘De zijdehandelaar’ verschillende prijzen en werd genomineerd voor de Booker Prize. Tash Aw schrijft zo beeldend en rijk aan details, dat je vanaf de eerste bladzijde meeleeft met de hoofdpersonen. In een weeshuis in Indonesië worden de broertjes Johan en de jongere Adam geadopteerd door twee verschillende families. Johan vertrekt naar Maleisië en komt terecht in Kuala Lumpur, waar hij uitgroeit toe een rijkeluiszoontje dat rondrijdt in de Mercedes van zijn vader. Hij blijft vol schuldgevoel verlangen naar zijn broertje. Adam komt op zijn vijfde jaar terecht bij de Hollandse schilder Karl de Willigen, waarmee hij een rustig en eenvoudig leven leidt op het Indonesische eilandje Nusa Perdo (het Verloren Eiland).

Politieke chaos

Naast deze twee verhaallijnen volg je het verhaal van de in Nieuw-Guinea geboren Amerikaanse Margaret Bates, docente op de Universiteit van Jakarta. Door de politieke chaos ziet ze de stad en de studenten langzamerhand veranderen. De verhaallijnen komen bij elkaar als Adam op zestienjarige leeftijd op zoek gaat naar Karl, die is opgepakt door soldaten. Tussen de spullen van de schilder vindt Adam een foto en adres van Margaret, een vroegere geliefde van Karl. Hij besluit haar hulp in te roepen bij zijn zoektocht naar Karl, en vertrekt naar Jakarta.

Roerige jaren

Het verhaal kent vele lagen. Thema’s als afkomst en identiteit, de worsteling van de personages met het koloniale verleden en de recente politieke geschiedenis in Indonesië zijn op een slimme manier door het boek verweven. Als lezer maak je de veranderende sfeer in Indonesië in de roerige jaren zestig van binnenuit mee. Je loopt letterlijk mee door de hete en stoffige straten van Jakarta, waar de spanning voelbaar is. Je komt in golfplaten huisjes terecht waar activisten samenkomen en voelt de spanning als Adam bijna onder de voet wordt gelopen tijdens een demonstratie die uitloopt op een bloederige confrontatie met het leger.

Kudeta

Zijdelings kom je meer te weten over de chaotische dagen voor de Kudeta, de mislukte staatsgreep in 1965 waarbij zes generaals werden vermoord en die het einde betekende van het tijdperk Soekarno. Van deze ook voor Nederland relevante periode in de geschiedenis is maar weinig bekend. Nederlanders, zoals Karl, werden in die tijd steeds vaker weinig zachtzinnig het land uitgezet, wegens (vermeende) communistische sympathieën. Bovendien werden de dagen na de Kudeta om diezelfde reden meer dan 500.000 mensen vermoord. Nog eens een miljoen mensen werden gearresteerd. Het boek van Tash Aw stopt aan de vooravond van deze Kudeta, het meeslepende verhaal over Adam, Johan, Karl en Margaret voert de boventoon. Maar de interesse voor deze vergeten bladzijde uit de geschiedenis is gewekt.

Kaart van een onzichtbare wereld (vertaald door Ton Heuvelmans) – Uitgeverij Mouria – 22,50 (gebonden) – 416 blz.

Bestel het boek

Het lot van de buitenstaander

Op het internationaal literatuurfestival Winternachten in Den Haag was dit jaar één van de thema’s ‘Indonesië, land van buitenstaanders’. De Maleisische schrijver Tash Aw en de Indonesische schrijver-journalist Andreas Harsono vertelden over de positie van de ‘outsider’ als een belangrijk thema in hun werk. Een onderwerp dat ook voor Indische Nederlanders interessant is.

Een gesprek van een uur is wel wat kort om zo’n veelomvattend thema uit te diepen. Dat lukt dan ook niet helemaal, maar wat de twee schrijvers vertellen over hun achtergrond en werk is zeer boeiend. Voor een schrijver is de positie van ‘ buitenstaander’ prima, meent Tash Aw, omdat je daardoor goed kunt observeren. De schrijver, die al twintig jaar woont en werkt in Londen, werd in Maleisië geboren en heeft Chinese voorouders. In Londen voelt hij zich Maleisisch, en in Maleisië voelt hij zich Brits. China beschouwde hij nooit als zijn moederland, als derde generatie Chinees. Als hij in China is wordt hij ook daar in de categorie ‘buitenlander’ geplaatst.

Onzichtbare wereld  
Zijn twee romans zijn vertaald in het Nederlands en waren een groot succes (zo werd hij genomineerd voor de Booker Prize en won hij de Whitbread Best First Novel Award). In zijn werk gebruikt hij de geschiedenis om iets te kunnen vertellen over het nu. Zijn eerste roman, De Zijdehandelaar, draaide om de positie van Chinezen in Zuidoost-Azië. In zijn tweede roman, Kaart van een Onzichtbare Wereld, horen alle personages thuis in Indonesië. Toch zijn ze tegelijkertijd allemaal buitenstaanders op zoek naar hun identiteit. Het verhaal speelt in 1964-1965, een gespannen periode aan het einde van het Sukarno-tijdperk.

Chino
De Indonesische journalist en non-fictieschrijver Andreas Harsono heeft een soortgelijk verhaal als het gaat om de positie van buitenstaander: hij groeide op in Java waar hij door zijn uiterlijk ‘Chino’ werd genoemd, Chinees. Toen hij later naar Zweden ging om daar de leiders van het vrije Atjeh te interviewen, snauwde een van hen hem toe: “You Javanese dog!” En deze week, nu hij in Nederland te gast is bij Winternachten, vraagt iedereen hem wat hij van het Indonesische eten vindt in Nederland. Volgens Harsono is dat dus helemaal geen Indonesisch eten, maar gewoon nasi goreng, héél anders dan hij thuis gewend is.

Gevoeligheden
Harsono werkt nu aan een boek met de titel: A Nation in Name: Debunking the Myth of Indonesian Nationalism. Hij gaat in op gevoelige issues, zoals het onafhankelijkheidstreven van gebieden als Atjeh, Papoea en de Molukken. Terwijl hij hij in Indonesië regelmatig bedreigingen ontvangt, kan en durft hij er hier in het buitenland vrijuit over te spreken. Dan doen beide schrijvers onder leiding Paul van der Gaag, eindredacteur van het VPRO-radioprogramma OVT, nog even een wedstrijdje in ‘welk land is er het ergste aan toe’. Ze worden het niet eens. De Indonesische wet telt 68 artikelen waar de doodstraf op staat, de Maleisische wet maar één, maar die wordt volgens Tash Aw zéér ruim geïnterpreteerd.

‘Thuis’
Als beide schrijvers een fragment uit hun werk voorlezen, denk ik onwillekeurig zelf ook na over het thema. Zoals in veel Indische families, was het ‘je een buitenstaander voelen’ in mijn familie ook aanwezig. Zo was mijn vader, die op zijn twaalfde naar Nederland kwam, teleurgesteld toen hij – eenmaal volwassenen en met een gezin in Nederland – familie in Indonesië ging opzoeken. Hij vond iedereen heel aardig, maar tot een echt gesprek kwam het niet. Hij voelde zich niet meer thuis. Tegelijkertijd weet ik niet of hij zich hier ooit ‘echt’ Nederlander heeft gevoeld.

NB: De roman ‘Kaart van een Onzichtbare Wereld’ van Tash Aw, die in 2009 uitkwam, zal ik binnenkort op deze blog bespreken.

 

Linggadjati, brug naar de toekomst’ maakt nieuwsgierig naar Soetan Sjahrir

‘Vergeten staatsman’ Soetan Sjahrir was een van de grondleggers van het vrije Indonesië. In het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst’ krijgt hij speciale aandacht. Het is een bescheiden biografische schets over zijn leven, geplaatst binnen de context van de politieke omwentelingen in Indonesië. Het maakt nieuwsgierig naar meer inkijk in het leven van Sjahrir.

Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009) Linggadjati, brug naar de toekomst (KIT, 2009)

Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Soetan Sjahrir (1909-1966) gehoord toen ik het boek ‘Linggadjati, brug naar de toekomst – Soetan Sjahrir als een van de grondleggers van het vrije Indonesië’ in handen kreeg. Beetje gênant misschien, maar hij wordt niet voor niets de ‘vergeten’ Indonesische staatsman en socialist genoemd. Dit boek is, tegelijk met een DVD en een tentoonstelling, uitgebracht in Sjahrir’s honderdste geboortejaar. In het boek beschrijven Frederik Erens (historicus) en Adrienne Zuiderweg (onderzoekster en publiciste) zijn levensloop, die zij plaatsen in de context van de politieke en sociale ontwikkelingen in het Indonesië van voor en na de Tweede Wereldoorlog. (Waarbij er helaas een fout in de inleiding is geslopen: de Proklamasi was toch in 1945?)

Onoverbrugbare tegenstellingen
Linggadjati gaat over de totstandkoming van het Akkoord van Linggadjati in 1946. Een van de sleutelfiguren was de toenmalige premier Sjahrir, een van de ondertekenaars. Het was een poging tot vreedzame oplossing van het Nederlands-Indonesische conflict. Toch liep het akkoord, dat gesloten werd in een gelijknamig bergdorpje op Java, uit op een fiasco. De Nederlandse regering zag ‘Linggadjati’ als tijdwinst om alsnog grip op de kolonie te krijgen. De Indonesische onderhandelaars zagen het akkoord ook als tijdwinst, maar dan om Indonesiërs ervan te overtuigen dat hun land één republiek moest worden. Deze strijdige belangen bleken een onoverbrugbare tegenstelling te zijn. De achterbannen aan Indonesische en Nederlandse zijde bleven wantrouwig, de Eerste Politionele Actie volgde een jaar later.

Verkeerde been
Toen ik de cover van het boek zag – een tekening van striptekenaar Peter van Dongen – dacht ik: ‘Ha! Een stripversie van de verhalen over het akkoord van Linggadjati, dat is interessant. Een boek om in te bladeren en wat te lezen, met een harde kaft en het formaat van een klein prentenboek!’ Bij het openslaan bleek dat ik op het verkeerde been was gezet. Linggadjati, brug naar de toekomst is een historisch overzicht, toegankelijk vormgegeven, maar serieus van aard met veel feiten, afkortingen en jaartallen. Als je kritisch naar het boek kijkt kun je dus zeggen dat vorm en inhoud niet bepaald op elkaar aansluiten. Bovendien: is het nu een historisch overzicht over de stappen naar het Akkoord van Linggadjati, een biografische schets van leven en werk van Sjahrir of een wetenschappelijk getint boek over de opkomst van het Indonesische nationalisme vol jaartallen?

Meer Sjahrir!
In het laatste hoofdstuk staat dat het Indonesische ministerie voor Buitenlandse Zaken een stripboek heeft uitgegeven voor de jeugd: ‘De strip toont hoe Indonesië en Nederland in Linggadjati op vreedzame wijze hebben geprobeerd een oplossing te vinden, waarbij ze elkaars standpunten en waarden respecteerden.’ Misschien moet ik die ook maar eens gaan lezen. Om te beginnen. Want verdienste van het boek is absoluut dat het interesse wekt voor deze bijzondere figuur, Soetan Sjahrir. Zijn leven en werk waren nauw verweven met Indonesië en met Nederland, waar hij zijn opleiding volgde, en zijn sterke idealen werden hem niet in dank afgenomen. Soetan Sjahrir werd eerst verbannen door de Nederlandse regering en later gevangen gezet door zijn voormalige politieke vriend Soekarno. Toch heeft de in Leiden geschoolde staatsman altijd vastgehouden aan zijn idealen van een democratische, socialistische samenleving. Wrang dat er desondanks nog twee oorlogen en vele slachtoffers nodig waren om daadwerkelijk een vrij Indonesië te krijgen.

Tip: Onlangs wijdde Andere Tijden een uitzending aan Sjahrir en het akkoord van Linggadjati, met historische beelden om van te smullen.

Bestel het boek

Guna Guna en Klazien uit Zalk

Onze voorouders in Nederlands-Indië leefden in een betoverde wereld. Guna Guna, oftewel Stille kracht, was onderdeel van het dagelijks leven. Wij moeten het in Nederland doen met Sinterklaas, en ook daar mogen we niet eens écht in geloven. Is magie gedoemd?

De kris. Bron: www.indoshop.nl
De kris.

Moralisme
Zwarte Pieten mogen niet zwart zijn, want dat is discriminerend. Er moeten ook groene, gele en blauwe pieten over de daken lopen. Sint mag geen christelijk kruis op zijn mijter dragen, want dat beledigt moslims. Maar.. is het geloof in het mysterie van Sint en Piet niet genoeg? Wie wil niet dat er een vriendelijke, oude baas bestaat met een lange baard die cadeautjes in je schoen stopt? Geloven in dit fenomeen is toch een verrijking van het leven?

Hel
In dit moderne tijdperk is het gewoon geworden om overal vraagtekens bij te zetten. Natuurlijk, we leven in een seculiere wereld, waarin het geloof geen invloed mag uitoefenen op de maatschappij. De scheiding van kerk en staat is sinds 1795 in Nederland ingevoerd. Ik ben blij toe, want we zijn ontsnapt aan de ketenen van (bij-)geloof en angst voor de hel. Vroeger was het geloof een rotsvast gegeven in een mensenleven, met alle geboden en verboden, rituelen en symbolen van dien. Nu kijken we op een meer wetenschappelijke manier tegen het leven aan. Dat heeft veel voordelen, maar hierdoor zijn we ook iets kwijt geraakt.

Harry Potter
Ratio regeert. Iets is pas waar als het, liefst wetenschappelijk, is bewezen. Door altijd de nadruk te leggen op economie, technologie en wetenschap dreigt de magie te verdwijnen uit de samenleving. En de mens heeft nou eenmaal behoefte aan magie in het leven, nu de gang naar de kerk niet meer vanzelfsprekend is. Kijk maar naar al die speelfilms die gemaakt worden over heksen en tovenaars. Lord of the Rings, Harry Potter, het kan ons niet magisch en betoverend genoeg zijn. Stripfiguren die in parallelle werelden terecht komen, computergames in eigenhandig geschapen fantasiewerelden: de vraag ernaar is onverzadigbaar.

Guna Guna
Hoe deden ze dat in Nederlands-Indië eigenlijk? Daar speelde de Stille Kracht, Zwarte Magie oftewel Guna Guna toch zo’n grote rol? Onze voorouders vonden de aanwezigheid van geesten en van verschillende vormen van bezetenheid vanzelfsprekend. Stille Kracht, toverkunst uit Indonesië en de Molukken, was iets waar je niet mee moest spotten. Je kon namelijk onder invloed raken van deze magie, en die bezwering was heel moeilijk weer op te heffen. Rampen en tegenspoed lagen op de loer. Er was gelukkig ook een witte variant van Guna Guna, waar juist de goede krachten aan het werk zijn. Niet alleen mensen konden drager worden van de negatieve of positieve krachten van Guna Guna, ook voorwerpen. Zoals de kris, wajang poppen, kleden en kleine afgodsbeeldjes uit Indonesië.

Voorwerpen
Het geloof in Stille Kracht heeft de overtocht naar Nederland niet helemaal overleefd, volgens mij, maar toch zijn vooral bij oudere Indische mensen nog veel verhalen hierover te vinden. En ook bijgeloof en de vermeende magische werking van bepaalde voorwerpen speelt nog steeds een rol. Ik vraag me af of de derde generatie Indische Nederlanders hier ook nog mee bezig is. Eerlijk gezegd geloof ik zelf ook dat er magie kan zitten in voorwerpen. Wajangpoppen benader ik altijd met het grootste respect. En ik zet kleine ‘afgodsbeeldjes’ in de kleedkamer voordat ik ga optreden. Het zijn dan wel plastic figuurtjes van Schleich en geen traditionele Indonesische beeldjes, maar toch. In de theaterwereld speelt magie zeker een rol, sterker nog, bij een goed theaterstuk is de magie voelbaar.

Cocktail
Gelukkig is in Nederland een vermenging gaande van allerlei rassen en geloven. Daar wordt altijd een hoop op gescholden, maar de pluspunten worden zelden benoemd. Namelijk: de betovering krijgt weer de ruimte. Het wordt het steeds normaler om, naast het laten lakken van je nagels, ook je hand te laten lezen. Om te bidden tijdens het werk. Of om even te mediteren in de lunchpauze. Om op een alternatieve manier stil te staan bij ziekte en dood, voorbij het witte kadetje na afloop van een crematie. Ik zie wel een cocktail voor me van magische elementen uit alle windstreken: Winti uit Suriname, Guna Guna uit Indonesië, Klazien uit Zalk en daarbij elementen uit Christendom en Islam met een vleugje Boeddisme. Laat de magie maar komen, we kunnen hem hard gebruiken in deze donkere decemberdagen.

De Molukse identiteit over 75 jaar

Maluku Merdeka
Maluku Merdeka

Voor veel jonge Indo’s is de hechtheid van de Molukse gemeenschap een voorbeeld. Toch voorspelde een groep vooraanstaande Molukkers uit Nederland op muhabbat.nl vorig jaar al dat er over 75 jaar van de Molukse identiteit maar weinig meer over is, als er niets gebeurt.

De Molukse gemeenschap is zeer hecht, die indruk krijg je in ieder geval als je de vele Hyves-pagina’s bekijkt waarop Molukse jongeren elkaar en anderen op de hoogte houden van alles van hen bezig houdt. Met als gemeenschappelijke noemer: Wij Zijn Moluks! De Molukse identiteit leeft zeer bij deze jongeren, misschien niet in de laatste plaats omdat inmiddels vijf generaties Molukkers opgroeiden in de Molukse wijken in dorpen en steden in Nederland, sinds hun komst naar Nederland ‘op dienstbevel’ in 1950. Het was destijds de bedoeling dat de Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen tijdelijk in Nederland zouden blijven, tot het weer rustig zou zijn in Indonesië. Dit tijdelijke verblijf duurt nu al 59 jaar, met alle frustraties van dien.

Noodklok
Een aantal Molukse belangenorganisaties, de Vereniging van Hoogopgeleide Molukkers PKTM ( Perkumpulan Kaum Terpeladjar Maluku), de Werkgroep Kakehan Nederland en de Molukse diaconale stichting voor zorg en welzijn Muhabbat , luidde vorig jaar de noodklok over de positie van Molukkers in Nederland. De toestand wordt zorgelijk genoemd: vooral de onderwijspositie van Molukse jongeren is slecht. Bovendien zijn Molukkers er niet in geslaagd zich in de afgelopen jaren te profileren in allerlei sectoren van de Nederlandse multiculturele samenleving. Onderling zijn de banden hecht, maar in de Nederlandse maatschappij zijn Molukkers nauwelijks zichtbaar als groep. Tekenend is het feit dat veel Molukse jongeren door medescholieren als ‘gastarbeiders’ worden gezien. Er is weinig tot geen kennis over de geschiedenis van de Molukkers in Nederland. Op scholen wordt daar ook niets over vermeld in de geschiedenisboeken of bij maatschappijleer.

Molukse acties
Het onderwerp van de Molukse integratie houdt me bezig omdat ik momenteel door het land reis met mijn voorstelling ‘Gegijzeld’, over de Molukse acties in de jaren zeventig. Mijn zus Willemijn was destijds een van de gegijzelde kinderen in de school in Bovensmilde (Drenthe). In totaal  105 kinderen werden in 1977 vijf dagen lang gegijzeld door Molukse activisten, die hiermee de zaak van de RMS onder de aandacht wilden brengen. Ze eisten bovendien vrijlating de kapers van de trein bij Wijster in 1975, die in de gevangenis zaten.

Schaamte
Na afloop van de voorstelling raak ik vaak in gesprek met Molukkers uit het publiek die vertellen over wat ‘Gegijzeld‘ met ze doet. Ik hoor van ze dat de voorstelling ze raakt, en dat ze het aanvankelijk moeilijk vonden om erheen te gaan. Er is veel angst dat ze gestigmatiseerd worden, en 32 jaar na dato opnieuw als ‘gijzelaars’ worden gezien. Ze vertellen dat ze het moeilijk hebben gehad in de tijd van de Molukse acties. Dat zij er op aan werden gekeken, ook al  hadden ze niets met de acties te maken. Ik hoor hoe lastig Molukkers het nu nog vinden om te praten over die tijd, en dat veel emoties zijn weggestopt. Er is veel schaamte en verdriet. Ze vinden het goed en fijn om te merken dat er nu ook eens aandacht is voor hun geschiedenis, voor hun kant van het verhaal.

Mini-conferentie
Op een miniconferentie op 19 april 2008 bespraken de Molukse belangenorganisaties wat voor maatregelen er moeten komen om de positie van Molukkers in Nederland te versterken. Zo moet de leiding in de voor Molukkers belangrijke sectoren (onder meer kerk en politiek) geprofessionaliseerd worden. Er moet een duidelijke scheiding komen tussen kerk en staat, want de christelijke kerk heeft heel veel invloed in de Molukse gemeenschap. Het emancipatieproces van Molukkers moet sneller verlopen en niet alleen vanuit emoties plaatsvinden. Coalitievorming is belangrijk,  en bovendien moet het vrijheids ideaal van een onafhankelijke Republiek der Vrije Molukken (RMS) een andere vorm of richting krijgen met voldoende ruimte voor zelfkritiek.  Een maatschappelijk debat over de positie van Molukkers in Nederland is het streven, zodat Molukkers weer op de politieke agenda komen.

Donkerblank
Als deze stappen niet worden gezet, is er over 75 jaar maar weinig meer over van de Molukse identiteit, zo menen de belangenorganisaties. Ze schetsen een toekomstbeeld waarbij de mensen in Nederland lichtbruin of donkerblank van huidskleur zijn. In die tijd zijn er nauwelijks meer  Molukkers, maar wel veel Europeanen met Molukse voorouders. De RMS is alleen geschiedenis.  Op scholen wordt tijdens  geschiedenislessen niets over Molukkers gezegd, hun sociaal-maatschappelijke positie wordt niet besproken. De Molukse wijken zijn er niet meer, alleen nog maar etnische enclaves. Het Museum Maluku in Utrecht bestaat alleen nog maar virtueel.  En als er al Molukkers in Nederland zijn, dan verstaan ze het Maleis niet, maar denken en spreken ze alleen nog maar Nederlands. De Molukse kerken zijn weg, niet alleen door geldgebrek, maar ook door striktere scheiding van kerk en staat.

Uniek
Ik vind het een behoorlijk treurig beeld wat wordt geschetst. De Moluks-Nederlandse cultuur is uniek en bijzonder, zo weet ik nog uit mijn jeugd in Bovensmilde, waar ik opgroeide met Molukse vriendinnetjes. Ik denk wel dat het voor de Molukse gemeenschap goed is om de ketenen van traditie iets meer los te laten, vooral voor de huidige generaties. De hiërarchie in de Molukse wijken staat soms een individuele groei ontwikkeling in de Nederlandse maatschappij in de weg. Niemand heeft baat bij overdreven nostalgie of bij het vastpinnen van verroeste idealen in deze huidige tijd. Een gemeenschap die met zijn tijd meebeweegt, heeft de toekomst. En dat geldt zowel voor de Indische, als voor de Molukse gemeenschap.

Voorhoede
Tot slot nog even dit. In de voorhoede van dit emancipatieproces zit Tom Polnaija, ex-kaper van de school in Bovensmilde, die meewerkt aan het nagesprek bij de voorstelling ‘Gegijzeld’. Samen met Geert Kruit, ex-gegijzelde, vertelt hij onder leiding van een journalist over zijn ervaringen uit die tijd en vraagt hij vergiffenis aan de slachtoffers van toen. Kijk dat is nog eens je verantwoordelijkheid nemen en je nek uit durven steken. Tom Polnaija weet dat je soms door de zure appel van de geschiedenis heen moet bijten, voordat je een nieuwe toekomst tegemoet kunt gaan.

Tip: Lees de column van Ephraïm Patty over Moluks zijn op jongerensite Bukamalu.nl.

‘Gegijzeld’ met nagesprek is in 2009 alleen in november nog te zien: Stadsgehoorzaal Vlaardingen op donderdag 19 november, Theater Lux op zaterdag 21 november en Schouwburg Gouda op 24 november. Zie voor de speellijst www.elsbethvernout.nl

Verstikkende geheimen

openboek2Het stikt van de geheimen in Indische families. Verloren gewaande halfzussen, halfbroers, niet erkende moeders, tantes, broers of zussen. Uit angst of schaamte wordt vaak hardnekkig gezwegen over de ware toedracht van ‘hoe het zit’ met de Indische familiestamboom. Met alle pijnlijke gevolgen van dien voor de achterblijvers.

Een vriendin verzuchtte laatst dat de Indische kant van haar familie haast wel een abonnement op Spoorloos lijkt te hebben. Niet alleen haar vader is verschillende malen te gast geweest in het televisieprogramma, op zoek naar zijn vader, maar ook haar oom en een nichtje zijn op tv op zoek naar hun achtergrond. Helaas zijn de familiegeheimen zo goed onder het tapijt gemoffeld dat ze waarschijnlijk nooit meer boven komen drijven. De cultuur van geheimen zit er goed in bij Indische families, nog altijd is zwijgen de norm als het gaat om gevoelig liggende familieperikelen.

De njai

Het zwijgen over afkomst kent een lange traditie in de voormalige kolonie. Tot de 19e eeuw woonden er altijd meer Europese mannen dan Europese vrouwen in Nederlands-Indië, zo lees ik in ‘De njai – het concubinaat in Nederland’ uit 2008 van Reggie Baay. Veel planters, soldaten of ambtenaren gingen daarom samenleven met een Indonesische, Chinese of Japanse njai. Die vrouwen waren niet alleen huishoudster van de koloniaal, maar deelden ook zijn bed en waren niet zelden moeder van zijn kinderen. Iedereen wist destijds wat het betekende als men van een Europeaan zei: ‘Hij leeft met zijn inlandse huishoudster’. Maar openlijk praten hierover, dat gebeurde niet.

Aan het hek

In de periode 1945-1949 zijn ontelbare Indonesische meisjes en vrouwen – vaak onbedoeld – zwanger achtergelaten door Nederlandse soldaten die gelegerd waren in Indonesië. De kinderen die daaruit voortkwamen waren ‘onwettig’ en wachtte een kindertijd in het weeshuis, of ze groeiden bij hun moeder in de kampong op. Daar werden ze altijd aangekeken op het feit dat hun moeder iets ‘fout’ had gedaan. Andere kinderen van gemengde afkomst werden wel erkend door hun Nederlandse vader, en groeiden op bij hem en zijn blanke echtgenote. In dat geval was praten over de Indonesische moeder taboe en werd er gezwegen over de afkomst. Als er soms al een Javaanse vrouw aan het hek kwam om een glimp van haar zoon of dochter op te vangen, werd ze weggestuurd.

Slagveld

Tot op de dag van vandaag duurt de zoektocht van de nazaten naar al die verborgen geschiedenissen voort. Op oorlogsliefdekind.nl kunnen zoekenden terecht die hun familiegeheimen proberen te ontsluieren die ontstaan zijn na de Tweede Wereldoorlog. De verhalen ontroeren mij en ik heb diep respect voor deze speurneuzen die niet bang zijn voor wat ze misschien tegenkomen. Voor hen is de waarheid belangrijk, omdat die kan bijdragen aan het accepteren van de loop van de geschiedenis. Mijn oproep is: weg met die verstikkende familiegeheimen die veel levens in hun greep houden. Vertel elkaar wat je weet over vroeger en deel je verhalen over afkomst en oorsprong, ook al zijn die nog zo pijnlijk. Voordat het te laat is.

Tip: Lees het levensverhaal van Jan Dennie en bekijk het filmpje waarin hij vertelt hoe verwoestend het is als niemand zich uitspreekt over je afkomst.

De allesbepalende kracht van Indische (haar-)wortels

RootsWilders is een Indo. En het zijn die Indische roots die grote invloed hebben op de politieke ideologie die de Limburgse politicus nu uitdraagt, betoogde bestuurskundige en antropologe Lizzy van Leeuwen. Maar wacht even. Bepalen je Indische roots zó’n groot deel van wie je bent en waar je voor staat?

De PVV-leider zou zijn haar niet zomaar blond verven, hij doet dit om zijn afkomst uit een Indisch geslacht te verhullen. Lizzy van Leeuwen schildert Wilders af als een ‘postkoloniale revanchist’ die wreker is van zijn Indische grootouders. Hij zou er ongeveer dezelfde politieke standpunten op na houden als de conservatieve en koloniale politici van vijftig jaar geleden. Die wilden destijds het liefst terug naar de tijd van vroeger. Wilders is net als zij gericht op versterking en behoud van de Nederlandse dominantie, waarden en cultuur.

Lizzy van Leeuwen gaat er vanuit dat Wilders’ Indische wortels zeer bepalend zijn voor hoe hij handelt. Zijn frustratie over wat er met zijn grootouders is gebeurd in Nederlands-Indie , komen tot uiting in zijn politieke standpunten, meent zij. Zo probeert ze te verklaren hoe het omt dat Wilders pleit voor behoud van ‘de eigen dominante cultuur’, en het terugdringen van de islam. Maar of dat nou ingegeven is door zijn Indische achtergrond?

Dezen en genen
Rond mijn dertigste ben ik gaan zoeken naar wat mijn Indische wortels nou eigenlijk inhouden, wat ze voor me betekenen. Op basis van die zoektocht heb ik de voorstelling ‘Deze en genen’ gemaakt en gespeeld. De titel sloeg op een soort verontwaardiging van mijn kant: blijkbaar zit die Indische kant zo in je genen, dat je er niet omheen kan. Als derde generatie Indo heb je in principe niets met de oorlog te maken, je groeit op in een land waar vrede is. Maar toch krijg je altijd iets mee van de oorlogstrauma’s die leven bij je voorouders. Al is het maar het zwijgen erover, het onuitgesproken verdriet.

Die overgeërfde oorlogsproblematiek sijpelt dus nog een generatietje door, in mijn geval. Mijn opa, die overleed toen ik vier jaar was, heeft ooit aan de Birma spoorlijn moeten werken als dwangarbeider, zoals zovelen in die tijd. Hij overleefde het, maar heeft er nooit iets over verteld, zelfs niet aan mijn oma of vader. Als kleindochter wist ik dus niets van wat hij daar had meegemaakt. Maar ik voelde er wel iets van. En daar heb ik uiteindelijk in mijn professionele leven iets mee gedaan.

Met dit betoog impliceer ik dat je roots inderdaad bepalend zijn voor wie je bent, wat je drijfveren zijn, waarom je dingen doet. Maar hoe zit het dan met de andere componenten waar mijn wortels uit zijn opgebouwd? Net zo goed als dat Wilders naast Indo ook Limbo is, heb ik naast Indische (van mijn vaders kant) ook Arnhemse wortels (mijn moeder werd geboren in Arnhem) en zelfs een link met Zeeland (mijn oma van moederskant groeide op in een hotel in Den Briel). Bovendien heb ik van mijn vijfde tot mijn zeventiende jaar in Bovensmilde gewoond, zie daar: Drentse invloeden.

Exotisme
Mijn vader, geboren in Batavia in 1938, noemt het ‘exotisme’, die focus op wat anders is, wat afwijkt. Weliswaar was hij zeer gevleid met de aandacht die ik door middel van theater heb besteed aan zijn Indische achtergrond, maar hij werd wel wat brommerig als ik die Indische kant teveel benadrukte.

Indië is wellicht exotischer om het over te hebben dan Nederland. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het interessanter vind om te vertellen over een achtergrond die bestaat uit wuivende palmen, krontjongmuziek en schommelstoelen op de veranda, dan over de wortels die ik heb in de koude Nederlandse kleigrond. Terwijl eigenlijk ook de Hollandse kleigrond mooie verhalen oplevert. Voor mij heeft Indie ook een link met het theater, omdat mijn oma in Indie vroeger al overal enthousiast optrad op elk podium dat ze kon vinden.

En dan nog iets: ik heb opvallend veel vriendinnen die ook een link hebben met Nederlands-Indië. En we hebben elkaar niet eens ontmoet op de Pasar Malam, oh nee Tong Tong Fair. Vaak kwamen we er pas na een tijdje achter, als we elkaar beter leerden kennen, dat die link met Indië bestaat. Het voelt meteen al vertrouwd, er hoeft op een bepaalde manier niet zo veel uitgelegd te worden. En zo beland ik toch weer bij dat moeilijk te benoemen, niet rationeel te verklaren gebied waar je al snel in wegzakt als je zoekt naar je identiteit als Indische Nederlander.

Het gebied waarin je van elkaar snapt dat je soms met tranen in je ogen over die Tong Tong Fair kan lopen. En dat het zo opvalt als je dan weer buiten staat en op de trein stapt. Dan moet je altijd even schakelen. Zo open en vriendelijk als mensen op de overdekte Indonesische markt met elkaar omgaan, dat werkt niet meer als je in de rij staat voor een strippenkaart op Den Haag CS. Dan moet je toch weer terug je hok in.

Inderdaad, ik ben een Indo. En mijn Indische familiegeschiedenis heeft zeker invloed op wie ik nu ben. Maar het is niet allesbepalend voor mij of mijn werk. Liever niet! Dan zou ik alleen maar voorstellingen maken over Indie, begeleid door krontjongmuziek. Ook bepalend voor wie ik ben zijn mijn Arnhemse, Den Brielse en Bovensmildense roots. Amsterdam, waar ik nu alweer 16 jaar woon, is ook van invloed. En wie ik ben is, naast door mijn genen en mijzelf, ook mede mogelijk gemaakt door: mijn geliefde, vrienden, juffen, meesters, docenten, regisseuse, coaches, toevallige passanten in de tram, buren en misschien zelfs wel woestijnrat Jerry. Zo ingewikkeld is dat, die identiteit.