Op zoek naar symbolen voor indo’s

Amsterdam, 5 mei 2008
door Ed Caffin

Op de dag dat ik dit stukje over Indische symboliek besluit te schrijven zie ik in een park bizar genoeg een man met een blauw shirt met daarop de Indo-melati. Het symbool werd ontworpen door Paatje Phefferkorn, pencak silat meester en bekende Indo. Ik vraag de man waarom hij hem draagt. “Van Pheffie zelf gekregen toen ik nog les van hem had”, zegt Paul, die al 30 jaar pencak beoefent. “Er zitten veel pencak symbolen in, zoals de golok, een soort kapmes, die we in de sport ook gebruiken”, zegt hij. “Ik ben zelf geen Indo, maar ik draag het met trots”.

De Indo-melati, door Phefferkorn bedoeld als een Indo vlag, bestaat eigenlijk uit verschillende losse symbolen. Enthousiast legt Paul me er een paar uit. Als ik thuis ben pak ik mijn aantekeningen erbij van de keer dat ik Paatje er zelf over hoorde praten tijdens een bijeenkomst met jonge indo’s. Ik lees terug dat de melati-bloem een centrale plaats heeft en vrouwelijke charme symboliseert. Ernaast heb ik de quote “vrouwelijk schoon” onderstreept. De golok en twee drietanden verwijzen naar de rol van de Indo als ‘voorvechter in woord en daad’. En natuurlijk is de achtergrondkleur blauw niet toevallig gekozen. Voor Paatje symboliseert de kleur vooral ‘trouw’, schreef ik erover.

Ik denk na over waarom mensen symbolen gebruiken en waarvoor. Al eeuwenlang laten mensen met behulp van allerlei tekens zien wie bij welke groep hoort. Symbolen lijken vooral een manier om je groepsidentiteit te versterken en je te onderscheiden van andere groepen. Bijna alle religies gebruiken symbolen bijvoorbeeld om de religieuze identiteit uit te dragen. Neem de christelijke Ichtus, de vis die je wel eens ziet op de achterkant van een auto. Ook bij veel (sub)culturen en -identiteiten horen symbolen waarmee je kunt laten zien waar je van houdt of waar je voor staat. Daarnaast hebben symbolen uiteraard een esthetische waarde. Ze worden gebruikt omdat ze mooi gevonden worden en bijvoorbeeld goed staan als badge op een spijkerjack.

Terug naar de Indische symboliek. Het is duidelijk dat de derde en vierde generatie indo ‘trotser’ is op het indo-zijn dan de generatie ervoor. En velen willen dat graag laten zien. Met deze ‘nieuwe indische trots’ ontstaat zo een nieuwe symboliek. Er is bijvoorbeeld een Indo-stijl, die zich uit in kleding en dans. Zwarte haren stijf van de gel. Via internet zijn verschillende groepen jongeren te vinden die hun Indo-zijn laten zien met tatoeages, zoals de Indo-melati of hun “typisch Indische” achternaam.

Ik vind ook andere symbolen, zoals de Garuda en de roodwitte vlag van Indonesië, die worden gebruikt als tekenen van kracht of liefde voor het land en de afkomst. Maar gelijk stuit ik hier op een probleem van ‘symbolische aard’: velen vinden namelijk dat dit soort symbolen eigenlijk niet gebruikt mogen worden door Indo’s. Omdat het symbolen zijn die met Indonesië te maken hebben en niet met de Indische cultuur. Maar verwijzen deze symbolen voor degenen die ze gebruiken niet gewoon naar de eigen oorsprong, die zich immers ook in het huidige Indonesië bevindt! Zouden veel Indonesische symbolen eigenlijk ook niet gewoon gebruikt moeten kunnen worden door Indo’s?

Het is een moeilijke vraag. Hoe dan ook, de behoefte aan een eigen symbool zorgde al voor de Indo-melati van Phefferkorn. Hij ontwierp hem in 1993 en inmiddels vind je hem overal en bij veel verschillende generaties Indo’s. Zeker ook bij de jongeren. Overigens zitten in de “Indo-melati”, symbolen die je ook Indonesisch zou kunnen noemen.

Ik wil weten wat voor symbolen jonge Indo’s nog meer gebruiken om zich mee te profileren. En waarom worden ze gebruikt? Omdat het mooi is of om wat het betekent? Is er inderdaad sprake van een nieuwe Indische symboliek bij de derde generatie Indo? Naar deze en meer vragen ga ik de komende tijd op zoek. Te beginnen tijdens de eerste vrijdag van de Pasar Malam Besar in de talkshow “Tattoo talk”. En ondertussen ga ik toch nog eens nadenken over wat dan eigenlijk precies goede Indo-symbolen zouden zijn. Een spekkoek? Of de botol cebok? Maar ja, die gebruikt men in Indonesië ook nog steeds…

Wat vind jij als lezer eigenlijk?

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.