Indisch 3.0 na de enquete

Onze dank is groot aan de mensen die gereageerd hebben op onze oproep ons eens net zo openhartig te beschouwen als wij doen met de wereld om ons heen. Het doet ons goed om te horen dat we tot nu toe lijken te slagen in onze opzet – eigentijds, kritisch, niet te zwaar op de hand, én Indisch.

Reacties zoals van Ed Vos (nee, geen familie of nickname), Mas Rob en Edwiño maken duidelijk dat onze invalshoek overkomt en in goede aarde valt. We willen inderdaad niet koketteren met het Indische, al is het maar omdat we dat nauwelijks kunnen. Natuurlijk kunnen we ervan genieten als mensen petjoh gebruiken. We moeten wel steeds opzoeken wat de woorden betekenen, maar goed, daar leren we elke keer weer van.

Een van de vragen die we al sinds het begin krijgen, is waarom we niet reageren op discussies. Op dit moment doen we het niet; wat wij vinden staat al in het bericht. Toch voeren wij daar onderling wél discussie over. Die gaat meestal van ‘Op NRC.nl reageren de journalisten ook niet op discussies die ontstaan over een bericht’ en ‘Ik wil de discussie niet sturen’ tot ‘Een journalist intervenieert toch ook als gespreksleider?’, ‘Het is wel een beetje makkelijk om gewoon een bericht online te plempen en er dan niets meer mee te doen’ en ‘Op andere fora zie je ook moderators optreden’. Het kan dus zijn dat we op een zeker moment wel besluiten te reageren.

Iets wat jullie en ons ook opgevallen is, is dat mensen die op berichten reageren overwegend van de tweede generatie of ouder lijken te zijn. Zeker weten doen we dat natuurlijk niet, maar het heeft ons wel aan het denken gezet. Schrijven wij echt primair voor de derde en vierde generatie of willen we vooral systematisch een nieuw geluid laten horen? Als we naar de polls kijken lijken we namelijk wel overwegend ‘jongeren’ (57% is jonger dan 36) te trekken. Maar hoe komt het dat die jongere bezoekers minder vaak reageren?

Op die laatste vraag kunnen wij geen antwoord geven. Op die eerste wel. Wij schrijven inderdaad niet primair voor een bepaalde generatie, maar voor dat deel van de Indische groep dat met een mengelmoes van nuchter verstand, humor, relativering én liefde naar zijn eigen afkomst kijkt. In die zin kunnen we zeggen dat Indisch 3.0 niet alleen verwijst naar de derde generatie Indo’s, maar ook naar de evolutie van het Indische zelfbewustzijn. Vanuit die optiek blijven we schrijven, en, op veler verzoek: regelmatiger dan het geval was.

Tjalie Robinson inspireert, zelfs in andermans handen

Den Haag, 23 maart 2009

door Kirsten Vos

‘Literatuur is niets. Leven is alles.’

De exact 600 pagina’s tellende biografie over Jan Boon, beter bekend als  Tjalie Robinson, las niet altijd even makkelijk, maar mijn doorzettingsvermogen is de moeite waard geweest. Tijdens het lezen heb ik meerdere malen een ‘aha, vandaar!’-gevoel gehad. Veel had ik nog niet van Tjalie gelezen, maar genoeg om de thema’s die biograaf Wim Willems aanwijst, te kunnen herkennen. Mijn overheersende gevoel nu? Ik ga zo snel mogelijk  Tjies er weer bij pakken, een van de boeken die Jan Boon als Vincent Mahieu schreef, en ik simpelweg vergeten ben uit te lezen.

Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver. Wim Willems
Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver, van Wim Willems

De eerste keer dat ik zelf in aanraking kwam met een stuk van de hand van Boon’s pseudoniem Tjalie Robinson, was tijdens mijn afstudeeronderzoek. Dankzij die Piekerans van een straatslijper begreep ik de sentimenten van de gerepatrieerde Indische Nederlanders beter en dankzij de in oktober 2008 uitgekomen biografie heb ik de diepere drijfveren van die straatslijper leren kennen. In al zijn hoedanigheden, waarvan Tjalie Robinson en Vincent Mahieu de bekendste zijn, wilde Boon schrijven over het werkelijke leven. Voor de oprichter van Moesson ‘ging schrijven over het ontdekken van een waarheid,’ aldus Willems, een waarheid die alleen buiten te vinden was, niet achter het bureau.

Robinson was fel gekant tegen alle studeerkamergeleerden, ‘muurtjesmensen en degenen die hun huis niet verlieten,’ en vond lichamelijk en fysiek alert zijn veel belangrijker dan ‘Diepzinnig denkend nietsdoen’, zo zegt de biograaf, want ‘In zijn werk zocht hij naar de twee verterende vuren van de tropen: bederf en roekeloze levensdrang.’ Een van Jan Boon’s overtuigingen was namelijk ‘Literatuur is niets. Leven is alles.’  Tjalie schreef altijd vanuit echte gebeurtenissen, of hij die nu zelf had meegemaakt of niet, en al schrijvend ontdekte hij in die gebeurtenissen universele thema’s. Hij riep lezers van Tong-Tong, voorloper van Moesson, bovendien stelselmatig op ook te gaan schrijven, zodat repatrianten een getuigenis konden afleggen van een historie die in de Nederlandse geschiedenislessen weggemoffeld was: die van Nederlands-Indië.

De biografie boeide me, omdat ik werk van Tjalie Robinson en Vincent Mahieu gelezen had. Ik kan me alleen heel goed voorstellen dat mensen die nog niets van deze bevlogen en veelzijdige Indo-Europese schrijver gelezen hebben, schrikken van de omvang van de biografie. Bovendien vind ik het jammer dat Willems hier en daar wat zweverige, wollige mijmeringen heeft opgenomen, waarvan ik niet wist wat ik ermee aan moest.  De biograaf springt ook regelmatig van heden, naar verleden, naar toekomst, waardoor ik soms niet meer doorhad waar de tekst over ging. Het lijkt wel alsof Willems, meegesleept door alle ontdekkingen, af en toe vergeten is zijn lezer mee te nemen. Hoeveel lezers zouden weten wat een totok of een Indo is, of, nog beter,  ‘eurotropisch’, en ‘transnationaal denken’? In Willems’ studieveld zullen het vast bekende begrippen zijn, maar ik snakte op zulke momenten naar gewone mensentaal.

Kortom – ga eerst Tjalie lezen, of Vincent Mahieu, en pak daarna pas de biografie erbij. Via antiquariaten zoals www.antiqbook.com zijn zijn boeken prima te verkrijgen. Of wacht even, want er komt binnenkort een nieuwe bundel uit met Piekerans  die nog niet eerder verschenen zijn. 

Tjalie Robinson- Biografie van een Indo-schrijver. Wim Willems, Bert Bakker, 600 p., 25 euro.

Bestel het boek

Benjamins bruid: ongevraagde lessen over dementie

Den Haag, 5 januari 2009
door Kirsten Vos

De nieuwe roman van Yvonne Keuls, Benjamins bruid, vertelt het levensverhaal van Dolores, een talentvolle, creatieve Indische vrouw die zo vaak een rol heeft gespeeld in haar leven, dat ze aan het einde van haar leven vergeet wie ze zelf is. Het boek is met momenten knap en gewaagd geschreven en soms zelfs grappig. Toch helpt Keuls met vreemde commentaren de band om zeep die je als lezer aan het opbouwen bent met de hoofdpersonen. Daarnaast zit er een aantal verhaalwendingen in die door de frequente herhaling ervan ongeloofwaardig worden. Daarom blijft van Benjamins bruid uiteindelijk vooral het gevoel hangen dat het Keuls’ antwoord is op de vraag waarom geliefden aan dementie gaan lijden.

Dolores groeit op op een suikerplantage in Indië. Haar Hollandse vader keert zich in Indië al van zijn oogappel af, wanneer zij in haar puberteit nog maar weinig overhoudt van haar blonde, Hollandse uiterlijk en haar Javaanse wortels de genetische strijd winnen. In Nederland, na de repatriëring, trouwt Dolores drie keer. Alleen uit het eerste huwelijk krijgt ze een kind, dat ze Gilbert noemt. Het moederschap valt de suikerdochter zwaar en tijdens haar volgende twee huwelijken neemt haar moeder, Soefie, de zorg op zich voor Gilbert, die hem omdoopt tot Jimmy. Door het derde huwelijk komen Dolores, Soefie en Jimmy in een mooie villa te wonen, die echtgenoot nummer drie voor zijn overlijden Villa Dolores genoemd had. In dat huis ontwikkelt zich de band tussen Jimmy en Dolores. De twee blijken verwante creatieve geesten te hebben.

Toch blijkt deze band niet bestand tegen de gewaarwording dat haar zoon homoseksueel is en nooit zal gaan studeren, maar als model de wereld wil ontdekken. Het vertrek van haar zoon naar Italië, tegen een achtergrond van verraad en bedrog, kondigt het verval van Dolores aan. Dat begint met  Alzheimer bij haar moeder, die zich lijkt te openbaren op de dag dat Jimmy naar Italië wil vertrekken. Dolores lijkt de nieuwe ruimte, die ontstaat door het vertrek van Jimmy, goed op te vullen door van Het Atelier, haar eigen creatieve ‘broedplaats’, een groot succes te maken. Toch blijkt Dolores niet opgewassen te zijn tegen haar eigen behoefte om telkens een glansrol te spelen. De jonge Benjamin voelt deze behoefte feilloos aan als hij op een dag zijn verdriet over haar uitstort en helpt Dolores uiteindelijk haar laatste hoofdrol te spelen.

Knap aan het boek is de manier waarop Keuls van perspectief weet te wisselen. Het begin van het boek ligt bij Dolores, en verspringt soepel naar Soefie, Jimmy en Benjamin. Knap is ook de manier waarop Keuls tragische gebeurtenissen in een flits naar de achtergrond weet te brengen. Gewaagd zijn de beschrijvingen van seksuele groei die Dolores doormaakt. Grappig is hoe Benjamin voor zijn rijexamen probeert te leren. Interessant is de uitleg over de functie van een selamatan. Maar ongeloofwaardig is het aantal zich herhalende verhaalwendingen: de karakters die homoseksueel blijken te zijn – en dan weer niet – of last blijken te hebben van hun geheugen volgen elkaar in sneltreinvaart op. Vertrouwt Keuls niet op het verstand van haar lezers?

Keuls dringt zichzelf bovendien telkens aan de lezer op. In het begin gaat dat nog met een bescheiden zinnetje hier en daar, maar tegen het einde trekt Keuls de lezer opeens bruusk uit het verhaal. Net zoals Milan Kundera in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan opeens van roman overschakelt naar essay, geeft Keuls tot twee keer toe een voorlichtingsles weg over  gedachtekronkels van dementerende patiënten. Na deze onverwachte inbreuken op haar eigen roman, verwacht Keuls dat de lezer gewoon weer doorleest. Mij is ze als lezer op dat moment volledig kwijtgeraakt. Hopelijk voelen mensen die worstelen met het verlies van geliefden aan de wrede ziekte die Alzheimer is, zich wel geraakt door Benjamins bruid.

Bestel de paperback

Bestel de luistercd

Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek

Indomania 3: waanzinnig chaotisch huiskamergevoel

indomaniaDen Haag, 16 november 2008
door Kirsten Vos

Dit is een lange blog. U vindt hier namelijk ook de tekst die Marscha Holman en ik uitgesproken hebben op Indomania 3. Overigens – de vraag waar wij daar mee eindigden, is ook aan u gericht.

Het was er warm, in Rob Malasch’ galerie in Amsterdam, het strijdtoneel van Indomania 3 dat op 15 november plaatsvond. Het was te druk, de akoestiek was slecht, de pijpelaruimte was ontoereikend voor de opkomst, het TL-licht was ongezellig en het ‘postkoloniaal debat’ was niet te volgen. Het duurde lang voordat we konden eten omdat er nog geen bestek was. De vertoning van Hetty Naaijkens’ Contractpensions vond ik te kort. Er waren te weinig stoelen. De live-band was Nederlands. Halverwege de avond ging het personeel op pad voor extra bier. Binnen een paar uur was de rode wijn op en de fles champagne die ik zou krijgen als bedankje is uitgeschonken aan de gasten. Kortom: Indomania 3 was waanzinnig chaotisch. Maar desondanks vond ik het vooral erg gezellig.

Rond half vijf arriveerde ik bij de tot ‘eventvenue’ omgetoverde Serieuze Zaken. Een in uniform geklede heer heette me welkom. Malasch’ collectie had plaatsgemaakt voor het ‘uit de geheime voorraad van Frans Leidelmeijer’ koloniale art-deco meubilair, tekeningen van onder meer illustrator en striptekenaar Peter van Dongen en: heel veel mensen. Te koop waren t-shirts van Indomania 3, werk van Herman Keppy, van Alfred Birney en van Peter van Dongen, Indische saucijzen van Van Olphen, Indische hapjes als lemper en risolle en natuurlijk wijn, bier en fris.

Op het programma stonden een debat over de Indische producties die de afgelopen maanden uitgekomen zijn en een optreden van Marscha Holman en mijzelf. Onder leiding van Ricci Scheldwacht en Herman Keppy probeerden enkele prominenten het debat te voeren, over het boek Ons Indisch Erfgoed (Lizzy van Leeuwen) en de film Ver van familie (Marion Bloem). Door de gebrekkige akoestiek, maar ook de vorm van het debat, was dit helaas nauwelijks te volgen. Een interventie van de in het publiek aanwezige Theodor Holman kon daar weinig aan veranderen.

Na dit debat betraden Marscha Holman en ik het podium. Wij waren gevraagd ‘iets over de derde generatie’ te vertellen en dat hebben we, binnen onze mogelijkheden, gedaan. De reacties – van het publiek dat het kon horen – waren bevrijdend. Nee, we hoeven ons niet schuldig te voelen omdat we geen botol tjebok hebben, of omdat we niet op zoek zijn naar erkenning voor ‘de’ Indische zaak. We mogen gewoon ons eigen pad vinden in de Indische wereld. In de discussie daarna stelde Ricci Scheldwacht me een leuke vraag. “Je zet je niet af tegen de eerste generatie. Zet je je wel af tegen de tweede?” Op dat moment realiseerde ik me dat ik me vooral afzet tegen de Indische kruistocht voor erkenning, die absoluut niet generatiegebonden is.

Indomania 3 vond ik ongedwongen en vrij. Ja, organisatorisch was er een hoop ruimte voor verbetering. De locatie was rampzalig voor de opkomst. En wellicht ben ik dit keer niet helemaal objectief, omdat ik een rol speelde in het programma. Maar tekenend voor de sfeer vond ik de mannen en vrouwen die, Indisch en niet-Indisch,  vrolijk dansten op de muziek van de dj. En de mensen die, net als bij uitgebreide kumpulans thuis, dwars door elkaar heen tevreden zaten te eten.

‘De’ derde generatie op Indomania 3
door Marscha Holman en Kirsten Vos

De derde generatie Indische Nederlanders. Volgens het CBS bestaat die niet. In berekeningen die het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte voor het uitkeren van het Gebaar, hield de demografie van Indische Nederlanders op bij de tweede generatie. Marscha Holman, columniste van Moesson, en Kirsten Vos, columniste van Archipel en beheerder van de weblog Indisch 3.0, beiden leden van deze derde generatie, zijn voor de Nederlandse overheid dus gewoon Nederlanders. De laatste tijd horen deze twee “Nederlanders met Indische wortels” steeds vaker ‘De Indische cultuur sterft uit’ en ‘Echte Indo’s bestaan niet meer’. De voorwaarden voor een existentiële crisis voor onze derde generatie zijn dus overtuigend aanwezig. Vanuit de eigen groep horen ze bovendien soms dat ze niet echt Indisch zijn. Toch willen Marscha en Kirsten met hun Indische wortels meer dan nasi goreng leren maken. Daarbij  merken ze dat mensen vooral van hen willen horen dat het Indische zoals dat ooit bestond wél in hen voortleeft. Of dat is wat ze zelf met het Indische willen en kunnen, horen we nu, in een levende column. Na afloop willen ze van u weten of dit is wat u wilde horen.

MARSCHA (gericht op het publiek): Vorige week maandag hadden we alleen nog geen flauw idee wat we wilden zeggen.
[Kirsten pakt haar telefoon.]
KIRSTEN: Hi, met Kirsten, stoor ik?
MARSCHA: Nee, ja…ehh nee. Wacht, ik zet even het gas onder de hutspot laag.
KIRSTEN: Oké. Lekker hè, die aardappelen, als het zo koud is buiten. Ben je zover?
MARSCHA: Ja!
KIRSTEN: Heb je gezien dat jij samen met mij op Indomania iets gaat doen over de derde generatie? Wij vertegenwoordigen namelijk de derde generatie Indische Nederlanders. Ze willen weten waar die mee bezig is.
MARSCHA: Ja, ik zag het. Leuk, denk ik. Maar wij zijn toch geen Ambassadeurs van de derde generatie? Wij maken hutspot! We verzinnen wel iets,  als we maar niet een soort act gaan doen als de nichtjes van tante Lien, vol tempodoeloe. Nee, niet te veel tempodoeloe, we moeten wel een tegengeluid geven.
KIRSTEN: Ja, in elk geval een eigen geluid. We zijn de derde generatie dus we zullen met iets verfrissends moeten komen. Wanneer zullen we het daarover hebben?
MARSCHA: vrijdag?
[Marscha en Kirsten draaien zich naar elkaar toe, nu met hun gezichten schuin naar elkaar toe. Ze begroeten elkaar.]
MARSCHA: Kan je dat idee dat je mailde, van dat toneelstuk, nog eens uitleggen?
KIRSTEN: Nou het idee was als volgt. We noemen het ‘Marscha en Kirsten in de wondere wereld die Indisch heet’. En het wordt dan een uitermate vrije interpretatie van het wayangspel die waarschijnlijk nooit tot ons  Indisch erfgoed gaat behoren.
MARSCHA: Sorry hoor, maar wat is in vredesnaam een wayangtheater??? Ik schaam me nu al dood, deze vertegenwoordiger van de derde generatie weet niks. Ik ben geen echte indo…
KIRSTEN: Niet aanstellen, je bent Indisch, want je vader is een Indische jongen. Hij schrijft Indische boeken nota bene, dat weet iedereen.
MARSCHA: Laat het hem niet horen…. Maar goed, ik heb nog wel een oud laken op zolder liggen voor het wayangspel? Kunnen we dat ook prettig voor ons gezicht houden, ik kan namelijk totaal niet acteren.
KIRSTEN: Ik ook niet. Dat is toch wel een vereiste ja. Niets zo erg als kijken naar een toneelstuk met mensen die niet kunnen acteren. Laat dat wayang idee dan ook maar zitten.
MARSCHA: Misschien moet jij het maar alleen doen, Kirsten. Jij bent hier veel beter in. Jij kent veel meer mensen, indomensen; jij bent echt een betere Indo dan ik.
KIRSTEN: Marscha, zeur niet zo. Zo wordt het niks. Jij denkt echt dat de Indische Gemeenschap zich bij een soort club heeft aangesloten hè?
MARSCHA: Ja, de club van ‘mij is onrecht aangedaan – ik ben slachtoffer – en ik wil erkenning’…
Kirsten: O je bedoelt de club waar iedereen altijd te laat komt?
Marscha: Precies, de club waar iedereen door elkaar heen praat
Kirsten … en niemand luistert.
MARSCHA: waar iedereen een botol tjebok gebruikt
KIRSTEN: en waar alle vrouwen altijd een zakdoekje met eau de cologne bij zich hebben.
MARSCHA: Waar iedereen Brandend Zand kan meezingen
KIRSTEN: en waar niemand kritiek op elkaar mag hebben.
MARSCHA: Maar wel heeft.
KIRSTEN: De club waar iedereen alles repareert met plakband of een elastiekje. En waar iedereen alles eet met suiker of sambal.
MARSCHA: de club waar iedereen fenomenaal Indisch kan koken
KIRSTEN: EN niet te vergeten, waar iedereen geweldig gitaar kan spelen.
MARSCHA: en waar iedereen een abonnement op Moesson heeft
KIRSTEN: Op Archipel.
MARSCHA: ET cetera… Ja precies, die club bedoel ik. Enige club…
KIRSTEN: Nee, ik kan me niet voorstellen dat Indische mensen zich bij zo’n club aangesloten hebben. Ik zou dat zeker niet willen.
MARSCHA: ik al helemaal niet.
KIRSTEN: Ik vraag me überhaupt af of er ook maar één Indo is die voldoet aan al deze ‘regels’. De Indische Gemeenschap – als die al bestaat – is echt niet zo homogeen als jij denkt.
MARSCHA: Nee, ik geloof je wel; jij en ik verschillen al zo veel. Jij hebt twee Indische ouders en ik één (die dat ook maar al te graag ontkent – wat dan weer heel Indisch schijnt te zijn). Jij blogt er elke twee weken over, ik ben nog nooit in Indonesië geweest en jij, jij voelt je er thuis.
(beiden vallen stil)
KIRSTEN: Sowieso, die regels waar we het net over hadden; die slaan eigenlijk vooral op de eerste generatie.
MARSCHA: Maar, bij Indomania vinden ze dat heerlijk om weer even te horen hoor. Laten we iets met die club doen, lachen.
KIRSTEN: Ja maar hallo, wij zijn hier uitgenodigd om het over de DERDE generatie te hebben, Marscha.
MARSCHA:  O ja. Wat zijn onze eigen ‘regels’ dan? Hebben we die al?
KIRSTEN: We kunnen zeggen dat we naar Hot Indo Parties gaan.
MARSCHA: En elke dag krabbels zetten op de 38 hyves over Indo’s.
KIRSTEN: over waarom het beter is om een relatie te hebben met een Indo dan met een Nederlander.
MARSCHA: Ik heb een relatie met een Molukker.
KIRSTEN: Oh. (stilte). Die heb je hoop ik wel thuis gelaten?
MARSCHA: Euh, ja. We kunnen het ook over tattoo’s hebben
KIRSTEN: EN natuurlijk alleen maar praten met Indo’s.
MARSCHA: en dan bahasa leren en alleen maar zo nog met elkaar praten
KIRSTEN: Hmm. Het enige dat ik daarvan weet is adoe.
(korte stilte)
MARSCHA: Goed, dat schiet lekker op, volgende week willen ze al horen waar het heengaat met de Indische cultuur. En we hebben nog geen idee, we zijn net begonnen met Indisch zijn.
KIRSTEN: Wat vindt u, heeft u het geluid van ‘de’ derde generatie gehoord?

Blue Bayou, het Indische volkslied

bluebayouDen Haag, 17 oktober 2008
door Kirsten Vos

Een paar weken geleden heb ik gedichten voorgedragen op een festival in Den Haag. Een van die gedichten, ‘Boogie Woogie’, gaat over mijn oma. Muziek en dans speelden in het leven van mijn grootouders een belangrijke rol. Mijn grootvader heeft de halve familie leren dansen, mijn oma was de gangmaker op feesten dankzij haar geweldige pianospel.

Door een handicap kon zij op het laatst helemaal niets meer, ook geen muziek maken. In dat gedicht heb ik een verwijzing opgenomen naar Blue Bayou, dat ook wel bekend staat als het Indische volkslied. Mijn grootouders speelden dat stuk regelmatig. Toch heb ik nooit gevraagd waarom Blue Bayou het Indische volkslied heet.

Hun lp-speler stond om de een of andere reden op hun kledingkast. Een van de lp’s die ze daarop afspeelden was rood in plaats van zwart en als mijn herinneringen me niet bedriegen, stond op die rode lp het nummer Blue Bayou. Telkens wanneer mijn opa dat nummer opzette, was het alsof de zon ging schijnen. Ik zag zijn ogen oplichten, warmte vulde de achterkamer van hun Haagsche woning en ik voelde, zonder het ooit gevraagd te hebben, dat dit stuk hem deed teruggaan naar zijn moederland Indonesië.

Pas jaren later ontdekte ik dat dit stuk ook wel het ‘Indische volkslied’ genoemd werd. Het verbaasde me niets. Het hele stuk drukt een diepgeworteld verlangen uit om terug te gaan naar een warme plek waar het leven een stuk beter is dan in Nederland: hard werken en uitkijken naar betere tijden. Over het achterlaten van dat wat je dierbaar is. Het terugzien van mensen die je dierbaar zijn. Je beter voelen als je weer terug bent in Blue Bayou. En over ‘sleepy eyes’, een beschrijving die met name de ogen van mannelijke Indische Nederlanders kenmerkte. Om nog maar niet te spreken over de ‘bijnaam’ van blauwe die de Indische groep in de jaren ’50 had.

Dit zijn alleen mijn persoonlijke antwoorden op de vraag waarom we Blue Bayou het Indische volkslied noemen. Ik ben erg benieuwd naar jouw mening. Dus: luister en oordeel zelf, naar de uitvoering van Linda Ronstadt uit 1977, of lees de songtekst. Overigens heeft Andy Tielman het stuk ook vertolkt, maar de versie die ik daarvan op YouTube vond was niet van goede kwaliteit.

[youtube=http://www.youtube.com/watch?v=f78bKXzALXo]

Ver van familie: herkenbaar, Indisch, maar warrig

Terrence Scheurs. Bron: www.vervanfamilie.nl

Tijdens het filmfestival Film by the Sea in Vlissingen is de lang verwachte Indische speelfilm van Marion Bloem Ver van familie in première gegaan. Een maand eerder waren Ed Caffin en ik namens  Indisch 3.0 aanwezig bij de voorvertoning in Amsterdam. Veel mensen waren geraakt door de film. Ikzelf verliet de zaal met een dubbel gevoel: de scènes uit Ver van familie zijn ontzettend herkenbaar en daarom is de film een aanrader. Het verhaal als geheel had alleen beter verteld kunnen worden.

De Indische familie König krijgt in de jaren ’80 bericht dat hun uit het oog verloren nichtje Barbie (Terence Schreurs) uit Amerika naar Nederland zal komen. De Königs zijn hier niet bepaald blij mee. Hun oma Em (Anneke Grönloh) ligt op sterven en zij zijn ervan overtuigd dat Barbie haar onnodig van streek zal maken. De Königs zetten zich daarom actief in om te voorkomen dat Barbie en oma Em elkaar ontmoeten. Barbie is de dochter van oma Em’s zoon Buddy (Maurice Rugebregt) die zich, voordat hij stierf, van zijn familie gedistantieerd had. De zoektocht van Barbie naar haar oma en de vele pogingen van de Königs dit te voorkomen, vormen de rode draad van deze film.

Met deze verhaallijn onthult Marion Bloem een goed bewaard Indisch geheim: Indische families zijn niet altijd hecht, warm en gezellig. De wens pijnlijke ervaringen te vergeten en geaccepteerd te worden, is belangrijker dan de behoefte van een individueel familielid om zichzelf te kunnen zijn. Daardoor kunnen Indische families benauwen en verstillen, zonder dat de buitenwereld daar ook maar iets van merkt. De keuze van Bloem dit taboe bespreekbaar te maken vind ik een verademing. Haar keuze voor Anneke Grönloh en Terence Schreurs is net zo sterk. Dankzij hun overtuigende acteerwerk heeft het verlangen van oma Em en Barbie om elkaar weer te zien, me tot het eind geraakt. Tot slot verdienen Margot Annuschek en Nathalie Ypma een groot compliment voor de prachtige tentoonstelling in de film.

Wat ik alleen jammer vond, is dat er in de film teveel in verteld werd. Meerdere lagen in een film kunnen een verhaal meer diepgang geven, maar in Ver van familie zorgden ze voor verwarring. Het ene personage na het andere met een persoonlijk verhaal diende zich aan. Zij zorgden ervoor dat ik, terwijl ik probeerde te ontdekken waarom oom Buddy zich had verwijderd van zijn eigen familie, verstrikt raakte in de overweldigende stortvloed van intriges.

Daarnaast voelde ik plaatsvervangende schaamte over de ongeloofwaardige Indische tongval, verbaasde ik me over het slechte acteerwerk van sommigen en ergerde ik me aan de overdaad aan makkelijke symboliek. Bovendien lijkt Bloem het verhaal van de Indische wereld niet voor zich te willen laten spreken, maar het te willen uitleggen. In een aantal gebeurtenissen in de film herkende ik bijvoorbeeld de Indische gewoonte dat het not done is om bepaalde vragen te stellen. Vervolgens benadrukten de spelers dit ook nog eens, door het gewoon te zeggen. Wellicht was dit nodig om de boodschap over te brengen aan mensen die de Indische wereld niet zo goed kennen, maar ik vond het storend. Daardoor werd ik me er telkens van bewust dat iemand me wat wilde vertellen, in plaats van me iets te laten beleven en ontdekken.

Ondanks mijn kritiek ben ik blij dat ik Ver van familie gezien heb. Het is een herkenbare film die veel Indische Nederlanders zal raken. De setting in het Nederland van de jaren ’80 is vertrouwd, net als de Tupperwarebakjes, het bereiden van 200+ hapjes en de heerlijk chaotische kumpulans. Ik zou daarom iedereen aanraden de film te gaan zien en ik ben benieuwd wat anderen ervan vinden.

Voor speeldata en meer informatie: www.vervanfamilie.nl

Verslag van 15 augustus 2008: een eerbetoon aan Indische helden

Den Haag, 17 augustus 2008
door Kirsten Vos

Afgelopen vrijdag was ik met vele anderen zoals ‘Paatje’ Phefferkorn, minister-president Balkenende en Marscha Holman, bij de Waterpartij in Den Haag om te herdenken dat 63 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië eindigde. De herdenking was dit jaar integer, persoonlijk en indringend, dankzij de voordracht van Kick Stockhuyzen en een korte declamatie van Sanne van der Velde. Uit een aantal korte reacties van aanwezigen op de herdenking bleek echter dat Indische overlevenden de bersiap, de Indonesische vrijheidsstrijd, onlosmakelijk blijven verbinden met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945.

Het monument
Het monument

Indische generaties herdenken
Ferry van Dam, tweede generatie Indo, is er met zijn moeder en twee dochters: “Ik ben er elk jaar. Ik vind het belangrijk om te herdenken.” Op zijn arm heeft Ferry een tatoeage. “Ik heb twee familiewapens gecombineerd en de namen van mijn dochters erin laten zetten, Faya en Dewi. Ik kwam voor het eerst op dat idee toen ik in 2006 in Indonesië was.” Harry van Kleef, tweede generatie, en Jeffrey Rozema, derde generatie, staan naast ‘Paatje’ Phefferkorn en laten tijdens de herdenking de Indo-Melati vlag wapperen. Paatje zelf vlagt alleen met de Indo-Melati vlag: “De Nederlandse vlag is nationalistisch en nationalisme leidt alleen maar tot oorlog.” Van Kleef: “Wij steunen Paatje in zijn streven. Daarnaast ben ik hier voor mijn vader. Hij zat in kamp Maumere. De oorlog brak uit toen ik drie jaar was. Ik heb mijn vader nooit gezien.” Rozema: “De herdenking is terecht. Zo veel mensen hebben zo veel goeds gedaan, het is goed dat ze vandaag aandacht krijgen. Ik ben hier voor mijn opa. Hij is mijn held. Hij zat in Japan als krijgsgevangene. Als we samen gaan wandelen, vertelt hij me wel eens verhalen. Hij vertelt natuurlijk niet alles. Dat begrijp ik wel.”

Saluut
Saluut

De stille helden van Kick Stockhuyzen
In een krachtige uiteenzetting vertelt voormalig acteur Kick Stockhuyzen over zijn stille helden. Stockhuyzen: “In het jongenskamp van het 15e bataljon was het verboden om een potlood of papier te hebben, beschreven of onbeschreven. Kennisoverdracht was verboden. Op elke bijeenkomst stond een straf en die was dat je gevangene werd van de Kempei Tai, de Japanse militaire politie. Daar, wist je, zouden marteling en onthoofding je lot zijn. Toch waren er in het kamp mannen die hun leven riskeerden om ons jongens te onderwijzen. Ik noem hen de stille helden, want hun namen heb ik nooit gekend.” Elk van hen is hij uit het oog verloren, ze verdwenen uit de kampen en hij heeft ze nooit meer gezien: de wiskundeleraar die les gaf door in het zand wiskundige figuren te tekenen. De dominee die prachtige verhalen vertelde over de Russische revolutie en de Boerenopstand in Zuid-Afrika. En de ongelukkige tolk, die Japans taal- en letterkunde gestudeerd had en dagelijks een aframmeling kreeg omdat zijn vertalingen onder de maat zouden zijn. De gehele speech van Stockhuyzen is online te lezen.

Ken je geschiedenis
“De geschiedenis over wat er in al die kampen gebeurd is moet verteld worden,” besluit Stockhuyzen, “want het ‘Uitverkoren Volk’, Japan, weigert structureel zijn oorlogsmisdaden toe te geven: zelfverheerlijking gaat niet samen met boetedoening. Daarom is het belangrijk dat wij blijven herdenken.” Die mening hoor ik terug als ik enkele aanwezigen om reactie vraag, zoals ‘Paatje’ Phefferkorn: “Leven zonder geschiedenis is als leven zonder een geheugen. Ken je je geschiedenis niet, dan zal die zich herhalen. Ik was uitgemergeld toen ik bevrijd werd, ik woog 21 kilo. En toch, hoe vreselijk die Japanse bezetting ook was, de oorlog die daarop volgde was véél erger.”

Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt
Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt

Treintransporten
Ook Ton Hens, die opeenvolgend in de kampen Tjihapit, Adek en Tjideng gezeten heeft, benadrukt het belang van geschiedenis en legt direct verbinding met de bersiap. “Mensen weten dat niet, maar treintransporten waren er ook in Indië. Ik durf nog steeds de trein niet in. Daarin werden we vervoerd door de Japanners toen we naar de Indische kampen moesten, waar we beschermd zouden worden tegen de peloppers. Eén transport van Semarang naar Jakarta is volledig uitgemoord door de peloppers. Mijn kinderen hebben geen interesse in dit soort verhalen. Toch zou het overgedragen moeten worden.”

Meer zien?
Het NOS Journaal heeft een mooie samenvatting gemaakt van de herdenking, met daarin aandacht voor Kick Stockhuyzen en Diederik van Vleuten. Deze is online te bekijken. Op Indisch4ever vind je een beeldverslag van de herdenking en de voordracht van Kick Stockhuyzen.

Discussies tussen Indische generaties

Den Haag, 13 juli 2007
door Kirsten Vos

conflict

Naar aanleiding van ons optreden op de Pasar Malam Besar in mei heeft de Wereldomroep een artikel en een reportage gemaakt. Alleen, toen ik het stuk las, schrok ik. Halverwege ‘mijn’ interview stond Afzetten tegen de tweede generatie als tussenkop. Ik heb de journalist onmiddellijk gemaild en die heeft het snel gecorrigeerd. Ik had die uitspraak niet gedaan en ik wilde al helemaal niet dat Indisch 3.0 onterecht bekend zou komen te staan als de weblog die zich afzet tegen de tweede generatie.

Op zich is je afzetten niet perse negatief. Het kan je helpen een stap in de toekomst te zetten, zolang je maar in het oog blijft houden waar je vandaan komt. Genoeg jonge Indo’s doen dat en het is dan ook niet voor niets dat veel eerste en tweede generatie* Indische Nederlanders ze aanmoedigen om door te gaan. Waarom dan toch die tussenkop laten aanpassen? Omdat ik in discussies tussen de tweede en derde generatie al langere tijd reacties lees en hoor die juist de tegenstelling benadrukken die gepaard gaat met je ergens tegen afzetten, in plaats van het gemeenschappelijke dat ons drijft, namelijk de Indische achtergrond.

De eerste keren dat ik deze polarisering in discussies zag ontstaan, vroeg ik me af of dat typisch Indisch was. Ongeacht het onderwerp gingen zulke gesprekken namelijk al snel de kant op van ‘Jullie hebben het niet meegemaakt, opgroeien in het Nederland van de jaren ’50,’ ‘Jullie kennen je achtergrond niet eens’, ‘Jullie weten niet wat Indisch zijn betekent en gebruiken het alleen maar omdat het in de mode is’ of ‘Jullie zijn zo ver gekomen dankzij ons.’

Verbaasd las ik zo’n discussie nog eens goed door, om te kijken of mijn generatiegenoten verwijten hadden gemaakt die zulke reacties rechtvaardigden. Ik heb namelijk ook wel eens het onterechte en polariserende ‘De tweede generatie heeft onze cultuur verloochend’ gehoord. Maar vaak genoeg kregen jonge Indo’s zulke reacties al wanneer ze hun trots op hun Indische afkomst uitten en lieten zien hoe ze daarmee bezig waren.

Inmiddels denk ik dat zulke reacties niet typisch Indisch zijn. Veel meer dan ik zou willen geloven, vermoed ik dat het normale generatieverschillen zijn die zich manifesteren in culturen die in ontwikkeling zijn. Weerstand tegen verandering is alleen maar een teken dat er een nieuwe groep opstaat die zijn stempel aan het zetten is op de toekomst van de Indische cultuur.

Wat ik er wel erg Indisch aan vind is dat discussies zich al snel toespitsen op de inhoud van die toekomst, namelijk de vraag wat Indisch zijn ís. Als er iets is dat al sinds jaar en dag de gemoederen bezig houdt, is dat het wel. Als ik de eerder aangehaalde reacties met die bril bekijk, dan zie ik dat ze daar allemaal mee te maken hebben.

Discussie is goed. We zijn in gesprek en ik hoop op veel inhoudelijke discussies tussen Indische generaties. Het houdt onze cultuur in beweging, want als je al die discussies op een rij zet, krijg je een aardig beeld van hoe het antwoord op die ene vraag, wat is Indisch, zich ontwikkelt.

* Deze indeling is gekoppeld aan het vertrek uit Indonesië. Indische Nederlanders van de eerste generatie zijn in Indië geboren en hebben daar langere tijd gewoond. Bijna allemaal hebben ze de Japanse bezetting en de repatriëring meegemaakt. De tweede generatie is in Nederland (of een ander nieuw thuisland) opgevoed door ouders die hun leven in Indië hebben doorgebracht, of een groot deel daarvan. Zij kregen van de eerste generatie te horen dat zij Nederlandser dan Nederlands moesten zijn. De derde generatie is geboren en getogen in het land waar hun ouders opgegroeid zijn.