Interview met Eveline Stoel

‘Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen?’

Eveline Stoel (1971) is journalist en schrijfster van Asta’s ogen, het waargebeurde verhaal van haar Indische schoonfamilie. Asta’s ogen ging tot nog toe 50.000 keer over de toonbank en de filmrechten zijn inmiddels verkocht. In maart verschijnt een luxe, gebonden editie van het boek, aangevuld met stamboom en register. Exemplaren van deze luxe-editie zijn opgenomen in de prijzenpakketten van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde, waarvan Eveline tevens de juryvoorzitter is. Met de wedstrijd volop in gang, stel ik Eveline enkele vragen over haar motivatie om plaats te nemen als juryvoorzitter en over haar schrijverschap.

Waarom heb je toegestemd om plaats te nemen als juryvoorzitter van de schrijfwedstrijd Indische Bladzijde?
‘Eigenlijk houd ik niet van oordelen over het werk van anderen, maar dit initiatief steun ik graag. Hoe meer Indische verhalen worden vastgelegd, hoe beter, want het aantal mensen dat uit eigen ervaring kan vertellen, wordt natuurlijk steeds kleiner. Voor mijzelf was schrijven het perfecte excuus om de ooms en tantes van mijn Indische vriend het hemd van het lijf te vragen – wat ik daarvoor nooit durfde. Het zou mooi zijn als deze wedstrijd hetzelfde effect heeft. Ik hoop dat mensen worden aangemoedigd om hun eigen Indische geschiedenis op te schrijven, of om vragen te stellen aan familieleden van wie zij vermoeden dat ze boeiende, grappige of mooie verhalen hebben.’

Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk
Eveline Stoel (c) Caroline Westdijk

Wat is voor jou het de meerwaarde van de schrijfwedstrijd?
‘Bijzonder aan deze wedstrijd is dat hij niet alleen is opengesteld voor Indische jongeren, maar ook voor oudere generaties en voor Hollanders met Indische verhalen. Dat kan een interessante kruisbestuiving opleveren. Toen ik over mijn Indische schoonfamilie schreef, begon mijn Hollandse vader opeens te vertellen over de Indische kinderen die in de jaren vijftig bij hem in de klas werden gezet, en hoe daar tegenaan werd gekeken door de ‘Hollanders’. Zulke insider-verhalen wekken geschiedenis tot leven. Ook tijdens lezingen vertellen mensen mij de bijzonderste dingen. Zoals de soldaat die werd uitgezonden tijdens de politionele acties en daar zestig jaar niet over sprak. Indische omaatjes die kokkies gewend waren, vertelden hoe ze in Nederland ineens zelf moesten koken – met Hollandse ingrediënten. En ik ontmoette keurige Hollandse vrouwen die in de jaren zestig smoorverliefd waren op Indische nozems. Geweldig. Ik denk dat het delen van álle Indische verhalen meer toekomst heeft dan alsmaar onderscheid blijven maken tussen Indo- en Belandaverhalen. Alleen door ze allemáál te vertellen, ontstaat een volledig beeld van de Nederlands-Indische geschiedenis.’

‘Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet.’

Voor Asta’s ogen heb je veel mensen geïnterviewd, hierdoor had je veel ruw materiaal om uit te putten. Hoe maakte je hierna een begin met het schrijven van het verhaal?
‘Ik vind het spannend om te schrijven zonder vastomlijnd plan, maar in je achterhoofd moet je natuurlijk ongeveer weten waar het verhaal heen gaat. Schrijven begint in feite al voordat je ook maar één letter op papier zet. Zelf ben ik begonnen met het lezen van geschiedenisboeken, zodat ik van te voren wist welke historische feiten ik wilde laten samenvallen met Asta’s verhaal. Daardoor kon ik tijdens de interviews gericht vragen stellen, wat een hoop overbodige informatie scheelt. Toen duidelijk was wat de krenten in de pap waren en waar de omslagpunten in de familiegeschiedenis zaten, heb ik die gebruikt als ‘boeien’ waar ik het verhaal omheen schreef.’

Asta's Ogen - Eveline StoelWat deed je als je vastliep tijdens het schrijven? Heb je tips om weer op gang te komen als het schrijven even niet wilt vlotten?
‘Tja, dat is een beetje een raar verhaal. Ik had tijdens het schrijven een foto van Asta op mijn bureau staan en als ik vastliep of informatie niet kon vinden, vroeg ik haar om hulp. Het begon als grapje, maar het wérkte. Zo heb ik eens urenlang gezocht naar een anekdote over de sultan van Solo die ik ergens had gelezen en in mijn boek wilde verwerken. Uiteindelijk keek ik zuchtend naar Asta, waarna ik sterk voelde dat ik een bepaald boek moest pakken. Ik sloeg het open en zag precies de pagina die ik nodig had. Sindsdien durf ik niet meer zo stellig te beweren dat goena-goena onzin is. Voor de minder bijgelovigen: ga een blokje om en laat het verhaal even los, of ga verder bij een gedeelte waarvoor je wél inspiratie hebt. Zo ben ik met Asta’s ogen begonnen bij hoofdstuk zes, als de familie aankomt in Nederland. Toen dat af was, werd direct duidelijk wat ik daarvóór en daarna moest vertellen.’

Heb je tips voor de mensen die graag een verhaal in willen sturen voor de schrijfwedstrijd, maar nog geen onderwerp hebben?
‘Kijk in familiefotoboeken, vraag naar de herkomst van Indische snuisterijen of ga samen Indisch koken met een ouder of grootouder. De kans is groot dat ze dan vanzelf beginnen te vertellen. Stel jezelf twee vragen: wat wil ik weten en wat wil ik vertellen? De antwoorden op die vragen zullen je naar jouw verhaal leiden. Dan hoef je het alleen nog maar op te schrijven.’

Meer weten over de schrijfwedstrijd? Bekijk dan hier de aankondiging van Indische Bladzijde.

“Asta’s ogen” – Eveline Stoel

Van exotisch Surabaya naar regenachtig Oss. Van een villa op een suikerrietplantage met bediendes in huis, naar ieder dubbeltje omdraaien in een arbeiderswoning in Brabant. De familiegeschiedenis ‘Asta’s ogen’ van Eveline Stoel verhaalt over de levenskracht van een Indische familie.

Indisch door Hollandse ogen

Journaliste Eveline Stoel vertelt het levensverhaal van Asta Hoyer, een ‘Marlon Brando in bloemetjesjurk’, die in haar eentje acht kinderen opvoedde. De schrijfster raakt gefascineerd door het levensverhaal van Asta Hoyer als ze zwanger is van een kleinzoon van deze Indische vrouw. Haar vriend draagt zijn Indische identiteit niet echt uit, maar als de hele familie bij elkaar is voert het Indische de boventoon. Wat kon ze haar kind straks vertellen over zijn Indische roots? Omdat de vragen die ze de familie stelt nooit echt worden beantwoord besluit ze het anders aan te pakken: ze besluit een boek schrijven.

Familiegeschiedenis

Het kost de schrijfster drie jaar om alle familieleden aan het praten te krijgen, maar in de loop van de tijd raken ze allemaal enthousiast en betrokken bij het project. Het resultaat is een familiegeschiedenis van een gewone Indische familie over levenskracht en doorzettingsvermogen, en over de gave van familiehoofd Asta Hoyer om altijd, in wat voor omstandigheden dan ook, wat van het leven te maken.

Aan de hand van haar levensverhaal leidt journaliste Eveline Stoel de lezer door de Nederlands-Indische geschiedenis. Van Asta’s zorgeloze jeugd in Solo en Surabaya, haar huwelijk met charmeur en danstalent George, de geboorte van hun kinderen, de feesten en partijen, naar de oorlog waarin het George lukt om uit handen van de Japanse bezetter te blijven.

Bersiap

Na de oorlog volgt de angstige Bersiap-tijd, die Asta, haar moeder, haar man George en de kinderen doorbrengen als ‘Indonesische’ familie in een klein huisje midden in de stad. In 1952 slaat het noodloot toe: Asta’s man wordt in zijn slaap doodgeschoten door een vroegere medewerker. Voor een vrouw alleen met zeven kinderen is het voor Asta niet langer veilig en haalbaar om in Indonesië te blijven. Na veel lobbyen en geld sparen (de gangbare repatriëringregels golden voor hen niet meer) lukt het Asta om met haar moeder en de kinderen in 1955 om naar Nederland te gaan. Ze worden opgevangen in een contractpension in Oss.

Voorspelbaar

Is het boek tot nu toe boeiend, maar ook voorspelbaar en bekend voor een lezer die zich al eerder verdiepte in Nederlands-Indië en de Indische cultuur, in het ‘Nederlandse’ deel dat volgt staan toch nieuwe dingen. Verrassend is daarbij de objectieve schrijfstijl van Stoel die, wellicht doordat ze een ‘ingetrouwde’ Hollandse is in de familie Hoyer, haar blik niet laat kleuren door vooroordelen of eigen ervaringen. Hopelijk spreekt dit een brede en ‘onwetende’ groep lezers aan die meer willen weten over het koloniale verleden van Nederland.

Vetkuif

De recente geschiedenis van een Indisch gezin in Oss levert boeiende beelden en anekdotes op over hoe de Indische kinderen proberen te aarden in Brabant. Hoe oudste zoon Dono met vetkuif op de tennisbaan verschijnt – de overige clubleden houden zich keurig aan de kledingcodes – en geregeld op blote kakkies gaat tennissen bijvoorbeeld. Of hoe de kinderen gediscrimineerd worden ten tijde van de Molukse acties in de jaren zeventig en bij de discotheek geweigerd worden, terwijl blonde leeftijdsgenoten wel mogen doorlopen. Hoe oma ‘Troel’ als bijnaam ‘oma kachel’ heeft, omdat ze altijd naast de kachel te vinden is.

Over Indië mag niet meer gepraat worden in huize Hoyer. Het is te pijnlijk voor Asta, die gericht is op een goede toekomst voor haar kinderen. Gemakkelijk is het niet om ‘geruisloos op te gaan’ in de Nederlandse samenleving. Aan de hand van de kleine details die Stoel beschrijft, wordt dat op een schrijnende manier duidelijk.