Duit, Handuk, Buncis en Knalpot

Als gevolg van 350 jaar Holland in de Tropen zijn veel woorden uit onze taal aan het Indonesisch blijven kleven. In totaal bevat het Bahasa Indonesia een paar duizend leenwoorden uit het Nederlands. Op reis door de archipel merk je dat direct. Maar niet alleen in het standaard Indonesisch zitten Nederlandse woorden, ook in het Javaans, Sundanees en Manadonees hoor je bekende woorden terug. En natuurlijk in het Bahasa Gaul, waar ik eerder over schreef. Al moet je soms wel goed luisteren om de woorden te herkennen.

Zo had ik een paar reizen naar Indonesië nodig voor ik doorhad dat het woord permak, wat opknappen betekent, komt van het Nederlandse “vermaken” en wordt gebruikt als je iets wil repareren. Nog zo een: duit (spreek uit: doe-iet), wat een ander woord is voor “geld”, komt van het Nederlandse “duit”. Duurde bij mij even voor het kwartje viel…

Het is sowieso wat lastiger geworden om Nederlandse woorden te herkennen doordat de spelling van een aantal gangbare lettercombinaties in de loop van de tijd is veranderd. De “tj” werd “c”, de “j” werd “y” en de “oe” werd “u”. Handuk was eerst gewoon handoek, en peci (spreek uit pe-tjie), het woord voor het door moslimmannen gedragen hoofddeksel, gewoon petje.

Maar er zijn nog veel woorden één op één te herkennen, zoals het woord buncis, afkomstig van “boontjes”, en koki van het Nederlandse “kokkie” of “kok”. Je weet wel, die persoon die elke avond eten bereidde terwijl de Hollander op de veranda dronk uit een kokosnoot (is kelapa, weer van het Nederlandse “klapper”, of was het andersom?) en aspal, afkomstig van “asfalt”.

“Wel handig zoveel Nederlandse woorden”, hoor ik een aspirant Indonesiëreiziger wel eens zeggen. Helaas is er weinig hoop voor mensen zonder talenknobbel. Met alleen Nederlands kom je namelijk niet zo ver. Behalve als je brommer- of autopech hebt,  en dan alleen als je problemen hebt met je ban, setir, persnelling, kopling of knalpot.

De “Nederlandse” woorden worden bovendien vaak net anders uitgesproken en welke variant je hoort, hangt af van de plek. In West-Java bijvoorbeeld, en dan vooral rond Jakarta, wordt het woord preman gebruikt om kleine straatcriminelen aan te duiden. Dat woord komt weer van “vrij man”. Oftewel, vrije jongen.

In Makassar in Zuid-Sulawesi hoorde ik een paar jaar terug een van de leukste voorbeelden van ver-indonesisch-t (hoe schrijf je dat eigenlijk?) Nederlands: iedereen gebruikte als stopwoordje aan het eind van de zin ‘Ya toh?’ Uiteraard afkomstig van het Nederlandse “ja, toch?” Ik schoot er steeds van in de lach tot ik het na anderhalve week zelf ook deed en het duurde een hele tijd voor ik het weer kwijt was.

Natuurlijk zijn er andersom in het Nederlands ook veel Indonesische woorden. Daar zou ik eigenlijk een aparte blog aan kunnen wijden. Toch een paar… “Met je blote kakkies lopen”, komt van het Indonesische woord kaki, wat voet betekent. “Dat is iemands pakkie-an”, komt van het woord bagaian, wat “deel” of “aandeel” betekent. Oh ja, en natuurlijk “amok maken”, van het Indonesische amok, wat ruzie betekent.

Bij ons wordt het vernederlandste Indonesisch natuurlijk nog wel in de oude spelling geschreven. Wij noemen kroepoek tenminste nog gewoon kroepoek! Daar voelen wij ons meer senang bij, ya toh?

So What Gitu Loh!

In de meeste mengculturen ontstaat een sociale omgangstaal op basis van verschillende talen. In Nederlands-Indië ontstond natuurlijk het petjoh, een mengtaal van Nederlands en Indonesisch (vooral Javaans en Betawi) die veel oudere indo’s vaak nog steeds kunnen spreken. Maar ook in het Indonesië van nu is er onder de jonge generatie een eigen mengtaal onstaan: het Bahasa Gaul.

Het is een mengtaal zoals er in de wereld talloze zijn ontstaan: het Sabri uit het Middelandse zeegebied, het Russenoors, het Sranan Tongo uit Suriname en natuurlijk het vroegere pasarmaleis, de lingua franca van de Indonesische Archipel. Taalwetenschappers spreken dan van een pidgintaal of creooltaal; een taal die elementen van verschillende talen bevat. Simpel in gebruik en meestal alleen in gesproken vorm.

Bahasa Gaul bevat veel samenvoegingen van twee of meer woorden tot een woord. Terima kasih (Dankjewel) wordt in het Bahasa Gaul bijvoorbeeld “makasih”. Maar er worden ook nieuwe uitdrukkingen gevormd. Bijvoorbeeld met engelse woorden, zoals de kreet: “So what gitu loh!” (Wat maakt het uit!) die je vaak hoort.

De term Bahasa Gaul dook voor het eerst op in de jaren 90 en betekent vrij vertaald zoiets als sociale taal. Het is een straatslang ontstaan vanuit het Betawi, de taal van de Jakartanen, het Hokkien-Chinees, en het Bahasa Prokem, een oudere straataal die gesproken wordt door zogenaamde preman, of kleine straatcriminelen. Maar Bahasa Gaul bevat ook woorden uit de travestie- en gay-cultuur van Jakarta.

De nieuwe taal is alleen niet zo geliefd onder taalkundigen. Een paar jaar geleden riep een groep taalkundigen de media in Indonesië op om Algemeen Beschaafd Indonesisch te gebruiken en de verspreiding van Bahasa Gaul te stoppen”. Niet dat het geholpen heeft, want inmiddels is het de taal van de Indonesische populaire cultuur geworden. Vooral de jongere generatie gebruikt het en door social media en sms verspreidt de nieuwe slang zich steeds sneller en gemakkelijker. Bovendien wordt Bahasa Gaul nog eens extra populair gemaakt door soap-acteurs en celebrities.

En ja, de ontwikkeling van taal laat zich natuurlijk ook niet begrenzen door linguïsten die dat taalverloedering vinden. Taal evolueert per definitie constant tot iets anders en vernieuwt zichzelf voortdurend. Zeker in een mengcultuur zoals de in Indonesische ontstaat al snel een nieuwe pidgintaal. Als je binnenkort van plan bent naar Indonesië te gaan: leer dan wat standaard-Indonesisch, maar verdiep je zeker ook eens in Bahasa Gaul… Want met Petjoh of pasar-maleis kom je niet meer zo ver. So What Gitu Loh!

Petjoh is zeg maar echt mijn ding!

 Ik ben altijd fel tegenstander geweest van de mening dat de Indische cultuur niet meer zou kunnen gedijen buiten de tijd, plaats en omstandigheden van Nederlands-Indië. Het oude Indie is niet perse nodig, het zijn immers de mensen die een cultuur doorgeven. Echter, helaas is dat niet voor alle aspecten van het ‘Indische’ zo. Een taal als het ‘petjoh’ staat bijvoorbeeld hoog op de lijst met bedreigde Indische cultuurelementen. Toch is er hoop voor Petjoh-liefhebbers…

Petjoh is als mengtaal inherent aan de gemengde cultuur waaruit het ontstaan is. De taal, waarin zowel Nederlandse als Maleise en Javaanse woorden voorkomen, werd door een deel van de Indische Nederlanders gesproken. Nu deze taal al vele decennia uit zijn Nederlands-Indische context is verwijderd, zijn er in Nederland slechts een paar ouderen over tijdens een spaarzaam onderling treffen nog een woordje Petjoh uitwisselen.

In mijn familie is, met de vele andere aspecten van de Indische cultuur, ook het Petjoh door de generaties heen gesijpeld. Vroeger, wanneer al mijn neven en nichten bij elkaar waren, stond humor altijd voorop. Om imitaties van onze oudere, Indische familieleden en kennissen authentiek uit te voeren leerden we wat Petjoh. Bij het vertellen van een anekdote, repten we al gauw wat woordjes ‘tjedar tjedoer’.

Schuddebuikend luisterden we met z’n allen naar de heruitgebrachte Gado Gado albums. Mijn oom voegde hier, geheel in het Petjoh, nog vele humoristische verhalen en acts aan toe. Als benjamin van de groep waren hij en de Gado Gado platen voor mij grote inspiratiebronnen om zelf meer van het Petjoh te leren.

Mijn generatiegenoten en ik begonnen de woorden en het accent zelfs te integreren in de sociale omgang met elkaar. Zo bedachten we zelf woorden als ‘malasheid’, ‘sudahboys’ en ‘jelek attack’. Indische jongens noemden wij ‘saudara’ en Indische meisjes ‘melati’. Sommigen gingen zelfs nog verder. Wat dacht je bijvoorbeeld van de t-shirt verkoper die je op veel pasars ziet met shirts bedrukt met allerlei typisch Indische spreuken?

Houdt de jongere generatie het authentieke Petjoh hiermee in leven? Nee, dat denk ik niet. Ondanks mijn vele pogingen heb ik het Petjoh helaas nooit echt goed leren spreken. Ik imiteer het eigenlijk meestal. Met een flinke dosis humor en een vette knipoog maak ik zo nu en dan eerbetoon aan mijn Petjoh-meesters van de Gado Gado platen. En mijn oom niet te vergeten. Vermengd met wat ik om mij heen hoor en het jargon van mijn generatie, geef ik mijn eigen interpretatie aan die geweldige mengtaal die voor mijn gevoel zo ontzettend bij het Indische hoort.

Mengen. Ja, zo werkt het natuurlijk altijd met taal. Want taal, dat is geen statisch ding, maar iets wat voortdurend evolueert. Zoals vele Indische cultuurelementen, heeft het Petjoh mij en andere jonge Indo’s ooit bereikt en wij geven het weer door, voorzien van een nieuwe jas. Aangevuld en verrijkt hopen we het te behouden voor de toekomst. Sudah, Petjoh 3.0 is here to stay, Ja toh?