Indisch in een studentenhuis (7)

tupperware

Het academisch jaar is vrijwel ten einde, de zon schijnt weer volop en dat betekent voor studenten de nodige  picknicks en barbecues in het park. Omdat iedereen wel wat eten meebrengt, leiden dergelijke outdoor eetfestijnen er steevast toe dat er aan het eind van de avond bergen vlees, stokbroden, sausjes en salades overblijven. Goed voorbereid open ik dan mijn tas en tover daar een uiteenlopend assortiment plastic bakjes uit. ‘Daar heb je onze afhaalchinees in eigen persoon weer!’ hoor ik dan met regelmaat.

‘Opruimen, weggooien’ is het motto dat bij mijn ouderlijk huis hoog in het vaandel staat. Geen verzamelboeken vol flippo’s of door wuppies verzwolgen vensterbanken. ‘Spaar ze allemaal’ is een doodzonde bij mijn ouders thuis. Zodra er bij mij als kind een verzamelwoede dreigde de kop op te steken, bijvoorbeeld postzegels of gekleurde labels van theezakjes, drukte mijn moeder dit met een hoop verbaal geweld de kop in. Begrijp me niet verkeerd, achteraf ben ik haar meer dan dankbaar. Wat moet je met al die zooi? Maar er waren momenten dat ik dacht: ja nou, jij spaart ook Shellzegels!

Toch kende het opruimmotto een uitzondering: eten werd niet weggegooid. Deed je dat wel, dan beging je ook een doodzonde. Een principe dat ik met genoegen overnam en uitdraag. Maar wil je geen eten weggooien, dan heb je iets nodig om het in te bewaren. Bakjes van de afhaalchinees tot voormalig chocoladeijsschalen, en kuipen waar huzarensalade in is verkocht tot sausemmers, ik bewaar ze allemaal. Met de jaren heb een heel keukenkastje geconfisqueerd met mijn goedkope variant van een tupperwareservies dat nu zo enorm is, dat het deurtje tegenwoordig niet meer dicht wil.

Vrienden en studiegenoten die mijn verzameling voor het eerst aanschouwen vragen zich af waarom ik dan niet een echt Tupperwareversies aanschaf. ‘Dit kan ik weggeven en hoef ik niet terug te hebben,’ luidt mijn antwoord dan en onmiddellijk stel ik de tegenvraag welke restanten van het eten ze willen meenemen. In het begin hoorde ik nog wel eens: ‘Niets hoor, zo karig ben ik nou ook weer niet.’

Maar gaandeweg begrepen ze dat het niet om zuinigheid, maar om bewustheid gaat. Huisgenoten die eerst gallisch werden van die zooi, maken nu dankbaar gebruik van het plastic servies. En inmiddels neemt ook een groot deel van mijn vrienden blij bakjes eten aan en is iedereen meer dan tevreden als het overgebleven vlees van de stadsbarbeques eerlijk onder iedereen verdeeld kan worden.

En ik vraag me af: is dat niet weggooien van eten iets cultureels? Indo’s houden heel erg van eten en gooien daarom nooit de restjes weg. Dat dragen generaties aan elkaar over. Of zou het een historische achtergrond hebben? Horen we onze grootouders, waarvan er velen in het kamp hebben gezeten, nog zeggen: ‘Nee! Je gooit geen eten weg!’

Indisch in een studentenhuis (6)

Letterenbibliotheek Universiteit Utrecht

Het Middagdutje

Ik ben een voorstander, aanhanger en overtuigd beoefenaar van het middagdutje. Zodra mijn collegerooster het ook maar enigszins toelaat, zorg ik dat het uiltje geknapt wordt. Ben ik thuis, dan ga ik even dwars over het voeteneind van mijn bed liggen, zit ik in de bibliotheek, dan knal ik mijn hoofd  op mijn boeken. Twintig minuten lang begeef ik me net onder de oppervlakte van wakkere mentale status.

Voorzover ik mij kan herinneren zonk mijn grootvader midden op de dag twintig minuten lang weg, lag mijn Japanse leraar Engels tijdens de korte pauze achterin het computerlokaal op de grond, ging mijn moeder met regelmaat een klein half uur gestrekt op de bank en plofte ik mezelf in vol ornaat een kwartier lang neer op bed zodra ik uit school kwam. Even slapen om korte tijd later vol energie overeind te schieten. Wekker niet nodig.

Wanneer ik mijn mini-siësta thuis hou en mijn huisgenoten om mijn aandacht roepen krijgen ze geen antwoord. Dit heeft steevast tot gevolg dat er nog harder gegild wordt, want ik ben thuis en dan kan ik toch wel antwoord geven? Als ze bij nul op rekest uiteindelijk mijn kamer binnen stormen -wat ik overigens allerminst waardeer, slapend of niet- puilen ogen vaak uit kassen van verbazing. Ik ben toch niet ziek? Waarom lig ik dan op bed?

Wanneer ik mijn slaappauze in de bibliotheek geniet, stuit ik op twee soorten reacties. Internationale studenten uit Midden- en Zuidoost-Azië  knikken me glimlachend toe en beginnen soms met hun eigen middagslaapje. Echter, de meeste medestudenten -lees: blank en westers- kijken verbaasd naar het meisje dat voorovergebogen in haar stoel zit met het hoofd midden op tafel, boeken, readers en schriften vol aantekeningen daar omheen gedrapeerd.  Een foto van dit tafereel kan zo bij het artikel ‘Studenten bezwijken onder druk’ in reactie op de Kabinetsplannen.

Ondanks de vragende blikken, schijnt het middagdutje tegenwoordig bij een breder publiek bekend te zijn onder het pseudoniem ‘power nap‘. Ik hoor geregeld mensen naar aanleiding van mijn sluimermomentje praten over onderzoeken die bewijzen dat een power nap goed is vóór het hart en tégen stress. Ik kijk die mensen dan graag glazig aan en denk: ga jij maar even lekker opnieuw het wiel uitvinden.

Indisch in een studentenhuis (5)

Charlies studentenkamer

Indische inrichting

Een goed ingerichte kamer met een fijne sfeer, dat was mijn doelstelling toen ik drie jaar geleden begon met klussen in mijn studentenkamer. Een effectief ingerichte kamer, met een woon- en een slaapgedeelte, waarin ik mij thuis zou voelen. De sfeer moest senang zijn.

Mijn Indische roots spatten op het eerste gezicht niet bepaald van de inrichting van mijn stek af. Het is tenslotte een studentenkamer in een studentenhuis, ‘IKEA’ is wat bij je opkomt als je mijn eethoek bekijkt en je oog op de onvermijdelijke Billy-kast valt waarin de boeken per genre zijn gerangschikt. De tweede druk van ‘Piekerans van een straatslijper’ uit ’53 heeft een opzienbarend ereplaatsje op de bovenste plank, tussen de rest van mijn Indische lCharlies Studentenkameriteratuur.

De foto’s aan de muur zijn kiekjes van vakanties in Spanje en Zwitserland, de tekst die boven mijn eettafel prijkt, is in het Catalaans. De foto’s van mijn ouders en Indische grootouders trekken zelden tot nooit kijkers. Over de petrolgekleurde leren bank heb ik een witte sprei gedrapeerd, opgevrolijkt met een zwarte sprei en kussentjes, uit de wereldberoemde Zweedse toko. Voor de bank ligt een tapijt dat mijn opa ooit uit Indonesië heeft meegenomen. Meermaals is me gevraagd waar ik het tapijt had gekocht. ‘Ik nergens. Mijn opa, bij een vast zwaar onderbetaald vrouwtje ergens in Indonesië..’ Is altijd een goede conversatiestopper.

Een oude vriendin vroeg ooit of zij het uit hout vervaardigde beeld van een of andere Venus afkomstig uit Indonesië mocht hebben, omdat ik het werkelijk niet om aan te zien vind. Absoluut niet, het is van mijn opa geweest en dus het staat nog altijd naast mijn bank. Boven de tv staat mijn Buddha, twee Balinese beeldjes en een koperen schaal. Allemaal erfstukken. Of dergelijke koperen schalen ook verkrijgbaar zijn in dure woonwinkels? ‘Ongetwijfeld,’ luidt mijn antwoord steevast. Wie mij de buddha cadeau had gegeven is zeer gewilde informatie. ‘Erfstuk, van mijn overgrootoma. Ze huist er nog steeds in om over me te waken.’ Ongewenste gasten vertrekken daarna altijd onmiddellijk.

De klamboe boven mijn bed hangt er slechts als gevolg van interieurstyling, nieteens uit praktisch muggen-werend oogpunt. En dan heb ik nog een rare ‘toffee’ in m’n bed. ‘Een toffee? Ik lust nieteens toffees,’ was mijn verbijsterde reactie. Jawel, ik had een toffee in m’n bed, hoe ik daaraan kwam.. Verbluft constateerde ik: ‘Nee, das een goeling.. Een kussen.. Een rolkussen..’

Bijgeloof, hoop en liefde

Indisch in een studentenhuis

Indisch in een studentenhuis (4)

Ik vind mezelf een nuchtere meid. Met de ‘niet lullen, maar poetsen’-houding en de lijfspreuk ‘rug recht en doorgaan’ stap ik door het leven. Ik zweef alleen in uiterst noodzakelijke gevallen. Ben ik bijgelovig? Een beetje. Spiritueel ingesteld? Af en toen. Zweefie-zweefie? Alleen in uiterste gevallen van nood. Ja, een nuchtere (Hollandse) meid. Vind ik zelf.

Dit zelfbeeld werd toch enigszins teniet gedaan toen ik van mijn huisgenoten een aantal keer de vraag kreeg of ik ‘bijgelovig’, ‘spiritueel ingesteld’ of ‘zweefie-zweefie’ was. Nog altijd sta ik met mijn mond vol tanden –dat is een unicum- als me dit gevraagd wordt. Ik weet na zo veel keer nog niet hoe ik moet reageren op dergelijke vragen die altijd vergezeld worden met een blik van verbijstering.

Het gebeurde ooit dat een huisgenoot voorstelde mijn Buddha te verplaatsen naar de plank recht tegenover het raam zodat ik mijn plant op de plek van de wijze man kon plaatsen. Ik deed de mededeling dat daar niets van inkwam en mijn huisgenoot vroeg waarom niet, dat was tenslotte in zijn optiek de beste oplossing. ‘Dan kijkt ‘ie naar buiten, dan kijkt ‘ie t geluk naar buiten,’ deelde ik hem stellig mede. Met grote ogen werd ik aangekeken en kreeg te horen: ‘Jezus Char, niet zo zweefie-zweefie hoor.’

Meest recent overkwam het mij dat ik in een discussie verwikkeld raakte met mijn nieuwe huisgenoot. Na drie dagen verhuizen en klussen was ze geïnstalleerd en vroeg me of ik zin had in een roseetje op haar kamer. Nu ging ik uiteindelijk voor een biertje, maar ik ging enthousiast op haar aanbod in. Toen ik haar vers ingerichte kamer binnenstapte verstijfde ik vrijwel onmiddellijk. ‘Pauwenveren,’ zei ik hard op. Niets vermoedend, reageerde mijn kersverse huisgenoot: ‘Ja, mooi he? Heb ik ooit gekregen van iemand.’ Ik stond nog steeds stokstijf midden in haar kamer en niet begrijpend vroeg ze: ‘Hoezo? Is er iets mee?’ Mijn antwoord was resoluut: ‘Die brengen ongeluk, die moet je weghalen.’ Of ik soms zwaar bijgelovig was en of ze de veren voor mij moest weghalen, omdat ik boven die pauwenveren sliep?,  kreeg ik als antwoord.

Drie dagen later kwam ze mijn kamer binnen en zag daar op een van mijn planken ‘De Gouden Driehoek’ liggen. In haar ogen niets meer dan drie gekleurde steentjes. Ze informeerde of ik die stenen soms op vakantie had gevonden. ‘Nee, dat is De Gouden Driehoek, die zorgt voor goede energie en een harmonische sfeer in huis,’ luidde mijn antwoord. ‘Geloof je nou echt in dat soort dingen?’ vroeg ze me. Ik reageerde met de mededeling dat het geen kwestie van geloof was. ‘Jawel..’ zei ze ‘van bijgeloof.’

Tuinafval – Indisch in een studentenhuis (3)

Als je me ergens ’s nachts voor mag wakker maken is het wel eten. En in het bijzonder rendang. Het recept van mijn oma’s rendang is dan ook een mijn bezittingen waar ik het meest trots op ben. Wanneer ik weer eens besluit twee dagen in de studentenkeuken met zeer beperkte middelen door te brengen om dit heerlijke recept werkelijkheid te laten worden, heb ik gegarandeerd de volledige aandacht van mijn huisgenoten.

Indisch in een studentenhuis (foto: HH/ edit Kirsten Vos)

Deze aandacht heb ik pas op het punt dat alle ingrediënten zich in de pan bevinden. Als ik nog de klapper sta te roosteren of het vlees aan het snijden ben maken mijn huisgenoten zich met een rotgang uit de voeten. Ze hebben totaal geen idee wat voor arbeid er vooraf gaat aan het maaltje dat ze twee dagen later met reuzenhappen verorberen.

Als het pruttelstadium dan eindelijk bereikt is, wordt met regelmaat de deksel van de pan gelicht om het huis te vullen met de heerlijk geur en de neus eraan tegoed te doen. Mijn huisgenoten willen allemaal even een hapje proeven, als is het maar ‘de marinade’. Met Indisch temperament geef ik ze dan een tik op de vingers en beveel ze te wachten tot ik groen licht geef.

Eenmaal is het mij overkomen dat ik niet alle ingrediënten in huis had. Even wilde ik mijn schouders ophalen, maar mijn oma gaf mij post mortem te verstaan dat alle bestanddelen even belangrijk waren. Ik moest er dus aan geloven. Voor de time being plaatste ik alle benodigdheden in de koelkast. Behalve de daun salam. Die liet ik op de snijplank op het aanrecht liggen. Ik stormde het huis uit en racete op mijn fiets naar de binnenstad.

‘Zo zeg, ben je weer bezig?’ vroeg mijn huisgenoot met een veelbetekenende glinstering in zijn ogen. Ik knikte glimlachend en liep de keuken in met mijn plastic tokotasje. Mijn huisgenoot verdween en ik ging aan de slag. Niets vermoedend zong ik met de radio mee, het ging goed en dit zou mijn lekkerste rendang tot nu toe worden. Ik voelde het.

Tot: ‘Máááááárk!!!!’

Mijn salam ontbrak, ik was mijn salam kwijt, het was de laatste die ik in huis had. Vragend keek ik mijn in allerijl toegesnelde huisgenoot aan.

‘Sorry, heb ik weggegooid. Ik dacht dat het tuinafval was. Ik begreep al niet waarom het op de snijplank lag.’ Met hangende schouders trok ik mijn jas weer aan en fietste weg.

Indisch in een studentenhuis deel 2: volle flessen

Tot het moment dat ik op kamers ging, twee jaar geleden, had ik me nooit gerealiseerd hoe zichtbaar het Indische in mijn leven kan zijn. Ik had dan ook nooit gedacht dat sommige mensen stijl achterover zouden slaan van mijn dagelijkse gewoonten en gebruiken. Totdat ik mijn huisgenoten ontmoette. En zij mij… In deze miniserie een greep uit de confrontaties tussen Indisch en Nederlands in een studentenhuis.

Ik grijp. Mis. Ik grijp nog een keer. Weer mis. Ik ben in het kleinste kamertje van het huis. Vertwijfeld kijk ik om mij heen. Ik vind een oude Playboy, wat Volkskrant Magazines en een voorraad toiletrollen. Mijn botol cebok is echter nergens te bekennen.

Van pure verbazing weet ik even niet wat ik moet doen. WC-papier dan? Nee, alsjeblieft! Woedend storm ik het toilet af en speur rond naar “mijn botol”. Niet op de gang, niet in de keuken. Uiteindelijk vind ik hem onder een laag drek van peuken en modder op het balkon. Ik sta perplex. Waarom zomaar spullen van een ander bij het oud vuil zetten?

Op dat moment komt een van mijn huisgenoten thuis. Hij loopt de keuken binnen. Net als ik hem onder vuur wil nemen vraagt hij aan mij: “”Hee, had jij die fles op het toilet gezet?” Ik knik, op de fles in mijn hand wijzend. “Dat is mijn botol cebok, oen!” , zeg ik kortaf. Niet begrijpend kijkt hij me aan. “Ben je bang om dorst te krijgen op het toilet, ofzo?”

Ik zucht. Mijn Indische gebruiken worden weer eens onbegrepen. Hoofdschuddend wil ik de keuken uitlopen als ik me bedenk dat zijn vriendin Moluks is. De kans is aanwezig dat zij wel bekend is met het fenomeen. Ik waag de gok. “Is het jou nooit opgevallen dat die fles ook bij jouw schoonouders op het toilet staat?”

Zijn gezichtsuitdrukking verandert. Voor hij weer iets kan zeggen vraag ik hem of hij het normaal zou vinden als ik zijn tandenborstel zou weggooien. “Ja, maar dat is anders,’ vindt hij. Ik vind van niet. “Je zal het wel niet begrijpen, maar die fles wordt in ieder geval niet gebruikt om uit te drinken”, besluit ik de discussie verontwaardigd.

Zwijgend was ik de fles af en vul hem met water. Ik zet hem terug in de hoek van de toilet. Het stickertje met mijn naam en de korte toelichting ziet er wat knullig uit, maar het is blijkbaar nodig. Als ik even later mijn huisgenoot weer hoor, praat hij met iemand aan de telefoon. Nu is hij degene die verontwaardigd klinkt. “Weet ik dat!” roept hij. ”Had je dat  dan niet even kunnen zeggen?” Ik kan alleen maar grinniken.

Indisch in een studentenhuis: schone moeders

Tot het moment dat ik op kamers ging, twee jaar geleden, had ik me nooit gerealiseerd hoe zichtbaar het Indische in mijn leven kan zijn. Ik had dan ook nooit gedacht dat sommige mensen stijl achterover zouden slaan van mijn dagelijkse gewoonten en gebruiken. Totdat ik mijn huisgenoten ontmoette. En zij mij… In deze miniserie een greep uit de confrontaties tussen Indisch en Nederlands in een studentenhuis in Utrecht.

Het studentenhuis waar ik een kamer in had bemachtigd, kwam met alles er op en eraan: een smerige en onbegaanbare keuken, een met haren verstopt doucheputje en een al maanden niet schoongemaakt toilet. Ik dacht dat ik in de zevende hemel was beland.

Mijn ouders waren al voor ik mijn diploma had akkoord gegaan met mijn vertrek. Onmiddellijk na mijn laatste examen begon ik enthousiast te klussen in mijn nieuwe stek. Ondertussen verzamelde ik meubilair bij familie en verpakte ik thuis al mijn bezittingen in een paar stevige dozen. Ik stond te popelen, was klaar om weg te gaan. Maar drie dagen voor ik mijn vrijheid tegemoet ging trok mijn moeder mij om middernacht uit bed: ze was woedend.

‘Het gebeurt niet! Je gaat daar niet wonen!’ Compleet verslagen stond ik slaapdronken in de deurpost van de slaapkamer van mijn ouders. ‘Als jij in dat huis gaat wonen ben je binnen een week ziek thuis met allerlei bacteriën en virussen. Het gebeurt niet!’

Ik zag mijn droom in een ondraaglijke damp van schoonmaakmiddelen opgaan. ‘Mam, dat doe ik wel als ik eenmaal daar woon.’ probeerde ik nog. ‘Absoluut niet! Over mijn lijk dat mijn dochter in dat smerige hol gaat wonen!’

Een dag later stormden mijn moeder en ik een van mijn toekomstige huisgenoten omver met tassen vol bijtende middeltjes. Volslagen perplex bleef hij achter bij de voordeur. Bij elkaar kostte het ons achttien manuren om het huis te ontsmetten. Zo schoon was het nog nooit geweest!

Drie dagen na de schoonmaakingreep betrok ik mijn nieuwe en brandschone woonplek. Mijn moeder leverde mij af met twee boodschappentassen vol heerlijk eten. Weer reageerde mijn huisgenoot vol verbazing. Ik vroeg hem of zijn moeder hem ook wel eens wat gaf.

Eigenlijk niet, zei hij. Sterker nog, zijn moeder kwam bijna nooit langs en al helemaal niet om schoon te maken. Nu was ik degene die verbaasd was. Indische moeders mogen misschien streng zijn, ze verwennen je wel en zijn brandschoon!