Tastbaar Verleden in het hier en nu

Nederlands-Indië is hip in Indonesië. Wat is er aan de hand?

Aankomende dinsdag ben ik te gast als spreker op een avond over culturele identiteit en herwaardering van gezamenlijk erfgoed van Nederland en Indonesië. Een programma georganiseerd door Stichting Tastbaar Verleden en de Nederlands-Indië Tafel, Geschiedenis Tafel en de Kunst en Cultuurtafel van de Koninklijke Industrieele Groote Club met vier sprekers over artistieke inspiratie en persoonlijke verhalen – en natuurlijk een heerlijke rijsttafel.

De avond is de aanloop naar een grote kunstmanifestatie in 2015 in Nederland èn Indonesië. Dat jaar is het zeventig jaar geleden dat Nederland werd bevrijd en dat de republiek Indonesië werd uitgeroepen. In dit toekomstige herdenkingsjaar zullen tien Nederlandse en tien Indonesische hedendaagse kunstenaars (beeldend kunstenaars, filmers, schrijvers, theatermakers, dichters, componisten etcetera) met nieuw werk reflecteren op het breukvlak in een gedeelde geschiedenis. Centraal staat daarbij de vraag wat de invloed van deze gedeelde historie is op hun identiteit.

Een gedeelde geschiedenis
Deze gedeelde historie is precies waar ik het over wil hebben dinsdagavond. Er kan veel gezegd worden over het (voort)bestaan van een Indische identiteit bij de jongere generaties Indo’s. Zoals de stichting het formuleert in de aankondiging: “Tweede en 3e generatie Indische Nederlanders worden zich steeds meer bewust van hun persoonlijke identiteit en erfgoed van ouders en grootouders. Met het vergrijzen en verglijden van de eerste generatie verdwijnt ook de mondelinge overlevering in rap tempo.”

Ik ben niet bang voor het verdwijnen van het Indische.

Toch ben ik niet bang voor het verdwijnen van ‘het Indische’. De mondelinge overlevering van geleefde herinneringen (van ervaren gebeurtenissen) zullen verdwijnen. De laatsten van de eerste generatie, onze grootouders, zullen er niet meer zijn om het na te vertellen. Maar als we goed hebben geluisterd, en tussen de regels door hebben gelezen, is er een hoop wat we weten. En dan is er nog de tweede generatie, onze ouders, om de verhalen door te geven. Een kanttekening is dat zij het niet zelf hebben ervaren, en er meer ruis is. Maar de ruis is er altijd al geweest.

Ook geleefde herinneringen zin sterk gekleurd door de persoon die het verteld, door trauma, door zeer uiteenlopende persoonlijke situaties, door het bagatelliseren van ongemak. Ondanks dat heeft de eerste generatie een gezamenlijk verleden overgedragen. Hetzij gekleurd, maar welke (post-)herinnering is dat nu niet? Ook nostalgie is gekleurd door een roze bril, maar daardoor niet minder waar.Ook met het wegvallen van de eerste bron hebben we een gedeelde historie. Dat weten we, nu moeten we ervoor zorgen dat we het niet vergeten, en herinneren in het hier en nu.

Nostalgie is gekleurd door een roze bril.

Ons gezamenlijke erfgoed: een trending topic in Indonesië en Nederland
De andere drie sprekers zijn:
Hans Goedkoop, historicus, schrijver en TV presentator van o.a. Andere Tijden en bestuurslid van de Stichting Tastbaar Verleden vertelt over zijn boek ‘De Laatste Man’, het verhaal van zijn grootvader, generaal-majoor Van Langen, de man die in 1948 Soekarno arresteerde.
Ben de Vries, senior beleidsmedewerker van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, vertelt over het hedendaags gebruik in Indonesië van gedeeld erfgoed.
Bo Tarenskeen, toneelschrijver, acteur en filosoof, over het Nederlands-Indische perspectief als “condition humaine”.
Dinsdag 10 september 2013 om 18.00 uur
KIGC, Dam 27 in Amsterdam.

Programma:

18.00 uur Borrel en ontvangst
18.45 uur  Presentaties

Voor niet-leden van Koninklijke Industrieele Groote Club:
Als je op deze bijzondere avond aanwezig wilt zijn dan ben je van harte welkom. Stuur dan een e-mail naar Marga Bosch (mgbosch@smartartvise.nl). Geef dan de namen van die personen op samen met zijn/haar e-mail adres voor de bevestiging vanuit de IGC. De borrel en de rijsttafel zijn op eigen rekening.

3.0 in de muziek: Blain

Blain portrait by Richard Tjoeng

‘Eerlijke songs: het moet gewoon kloppen’

Ze stond in Ziggo Dome in het voorprogramma van Jason Mraz en als backing-vocalist bij Shawn Barry.  Ze zingt ook bij Parrish Black, doet backings bij Brown Hill en Meike van der Veer. Maar of ze nu op het podium, in de studio of thuis muziek maakt, het creëren en samen muziek maken vindt zangeres Blain (1978) het belangrijkst.

Blank en Indisch
Ik ben nog niet binnen of Blain toont me haar nieuwe aanwinst: een ukelele. ‘Ik leer het best snel, omdat ik als kind viool heb gespeeld’. Ze herinnert zich van huis uit het zingen bij de piano, met haar ouders en zussen, en alle instrumenten die haar vader had. ‘Hij wilde altijd dat zijn dochters een instrument leerden spelen, zodat we met hem samen konden spelen. Nu heeft hij toch nog zijn zin’. Blain (deze artiestennaam is een samentreksel van BLank en INdo) is Indisch via haar vader. Zijn broers en zus zijn in Indonesië of op de boot geboren, hij in Nederland. Opa kwam uit een klein vissersdorpje op Java, oma kwam uit Menado.

Blain © Pascal Music Pics
Blain © Pascal Music Pics

 

Van kinderkoor tot Academie Voor Lichte Muziek
Blain begon al vroeg met zingen: eerst in een kinderkoor, toen tijdens uitvoeringen op de basisschool en op de middelbare school in een groep die rap met zang combineerde. Haar eerste coverbandje en een schrijf-samenwerking met een toetsenist volgden. Op haar zeventiende deed ze de vooropleiding van het Conservatorium, maar kon er niet goed aarden. Al gauw vond ze een passende opleiding: Academie Voor Lichte Muziek, waar de theorie minder de leidraad vormde en performance centraal stond. ‘Ik ben lang zoekende geweest, maar toen ik bijna dertig was, wist ik het zeker: muziek is het voor mij’. Nu is songwriting een van haar grootste passies. ‘Alles kan me inspireren: voetstappen, of het geklik van een balpen’. Haar songs kunnen dan ook alle kanten op gaan, van onvervalste pop-songs tot R&B en commerciële dance: ‘Ik wil me niet vastleggen op een stijl, ik wil alles kunnen blijven maken’.

Met Parrish Black te gast bij by Wild FM om de single Landslide te promoten © prive-eigendom Blain
Met Parrish Black te gast bij by Wild FM om de single Landslide te promoten © prive-eigendom Blain

‘Echt iets Aziatisch’
Op tafel ligt een batik-kleedje. Ik ben benieuwd: wat in Blains leven beschouwt zij als Indisch? ‘Bij ons thuis waren er altijd mensen over de vloer. Die gezelligheid, en natuurlijk het eten vind ik Indisch. Mijn Nederlandse moeder kan goed Indisch koken, dat heeft ze geleerd van mijn oma’. En in de muziek? ‘Het lijkt wel of alle Aziaten gitaar kunnen spelen of zingen! Muziek vind ik echt iets Aziatisch’. Het valt me op dat ze over Aziaten praat en niet specifiek over Indo’s. ‘Ook veel Molukkers, Chinezen, Koreanen kom ik in de muziek tegen, en vaak zijn ze een mix van verschillende (Aziatische) culturen’. Een beetje verder vragen leert dat Blain spiritueel is ingesteld: ‘Er is meer dan wat we kunnen zien, ik respecteer de geestenwereld. Ik zou ook nooit glaasje draaien, daar moet je voorzichtig mee zijn’. Het idee van een kris die de ziel van de maker in zich herbergt, vindt ze ook maar niks. Maar ze gelooft er dus wel in.

 Blain tijdens een optreden met Parrish Black © Prins Petfoods
Blain tijdens een optreden met Parrish Black © Prins Petfoods

Internationaal succes
Wat opvalt aan Blain is haar directheid. ‘Oudere Indo’s, of Aziaten in het algemeen, zeggen niet altijd wat ze echt denken. Wat dat betreft ben ik heel Westers. Dat vind ik soms moeilijk, ik wil niemand kwetsen. Maar ik zal niet mijn kop in het zand steken. Zo Indisch ben ik dus niet’, grapt ze. Ondertussen tokkelt ze rustig door op de ukelele. Ook in haar eigen songs streeft ze naar eerlijkheid. ‘De muziek en de tekst samen, het moet gewoon kloppen’. Met succes, want ze werkt samen met succesvolle producers en DJ’s zoals Ron Carroll, en ze schrijft songs die internationaal worden uitgebracht. En onlangs heeft ze dus haar hart verpand aan een ukelele, waarmee ze nog makkelijker liedjes schrijft. Een eenvoudig, bescheiden instrument. Als ik het instrument oppak, ben ik al gauw aan het spelen, terwijl ik verder geen instrument kan spelen. Hier word ik enthousiast van! We maken gauw een afspraak samen liedjes te schrijven. Als ik wegga, weet ik het zeker: vanavond nog schaf ik een ukelele aan!

De ukelele maakt het nog makkelijker om (ook onderweg) liedjes te schrijven © privé-eigendom Blain
De ukelele maakt het nog makkelijker om (ook onderweg) liedjes te schrijven © privé-eigendom Blain

Oproep: Ken of ben jij een muzikale 3.0’er die mee zou willen werken aan een aflevering van 3.0 in de Muziek? Laat het ons weten door een mailtje te sturen naar nora@indisch3.nl

'Waar blijft de derde generatie?' We zijn er al!

'The Future of Books'. Foto: www.techeblog.com

Voor het derde jaar op rij geef ik een gastcollege over de Indische derde generatie aan de Universiteit van Amsterdam. In het kader van de collegereeks ‘Indië als postkoloniale herinnering’ discussieer ik met studenten en andere geïnteresseerden die het openbaar college bijwonen. Doodeng, ontzettend leuk en heel leerzaam: voor mijzelf misschien nog het meest.

Uitdaging
In de zaal zitten enkele studenten (achterin) en een grote groep oudere toehoorders (helemaal vooraan). Ik ben benieuwd of er Indische Nederlanders tussen zitten, maar onder de – overwegend Letteren- studenten zijn geen Indo’s. De meeste ouderen hebben een speciale band met het voormalige Indië, hebben er gewoond of hebben Indische familie en kennissen. Deze groep toehoorders van alle leeftijden daagt me uit het in toegankelijke taal te hebben over online communities, hybride identiteiten en post-memory: begrippen uit mijn scriptie over drie generaties Indische identiteitsvorming: Van Pasar Malam tot I Love Indo (2009). Elk jaar is het college een goede reden om te lezen wat anderen recent over dit onderwerp schreven en opnieuw vragen te stellen. Wat staat er nu nog van mijn onderzoek overeind? Hoe profileren jonge Indo’s zich anno 2013?

De derde generatie leeft in een multimediale wereld

Post-herinneringen
Wat drie generaties Indische Nederlanders van elkaar onderscheidt, is de afstand tot bepaalde gebeurtenissen. De eerste generatie heeft Nederlands-Indië zelf meegemaakt, de tweede generatie in mindere mate en de derde generatie helemaal niet. Er is sprake van werkelijke herinneringen bij oudere Indo’s en van ‘post-herinneringen’ bij de jongere generaties: gebeurtenissen die indirect, bijvoorbeeld via verhalen, zijn overgedragen. Een van mijn bevindingen in 2009 was dat de derde generatie haar Indische identiteit anders beleeft en vormgeeft. Naast de Indische bestaan andere gelijkwaardige identiteiten: die van Nederlander, student, filmliefhebber, buurtbewoner. Ook uit de Indische identiteit 3.0 zich passend bij deze tijd: in een multimediale wereld.

'The Future of Books'. Foto: www.techeblog.com
‘The Future of Books’. Foto: www.techeblog.com

Online wereld
Internet speelt een grote rol in de identiteitsvorming van jongeren, ook bij jonge Indo’ s. In mijn scriptie noemde ik daarbij het sociale netwerk Hyves, dat inmiddels op zijn retour is. Hoe snel verandert de online wereld (en wat word ik snel oud)!  Maar het gebruik van sociale media neemt nog altijd toe en brengt iemand van ver weg virtueel dichtbij, iets dat voor de derde generatie bijna vanzelfsprekend is. Zo zocht een verre achternicht, (een kleindochter van mijn opa’s zus, die altijd in Indonesië is gebleven) via Facebook contact met mij, in haar zoektocht naar haar Nederlandse roots!

Hoe treedt Indo 3.0 naar buiten? Bijvoorbeeld door de facebookpagina van Indisch 3.0 te liken, en zo het Indische deel van zijn of haar identiteit tonen aan de buitenwereld. Daarmee profileert de generatie zich niet als eenheid, maar als een uiteenlopende verzameling individuen, die één ding gemeen hebben: een Indische achtergrond.

De derde generatie is weinig zichtbaar in de literatuur

‘Het Indische verhaal is al verteld’
Voorafgaand aan het college was een artikel van Esther Captain meegegeven. Captain was een van de eerste Indische 3.0’ers die over de derde generatie schreef. In haar essay ‘Indo rulez’ (Indische letteren, 2003) bespreekt ze de kritiek van de tweede generatie dat de derde generatie te weinig zichtbaar is in de literatuur. ‘Waar blijft de derde generatie?’, vroeg Indische letteren haar. Captain antwoordt dat ook de tweede generatie schrijvers (Marion Bloem, Adriaan van Dis, Ernst Jansz) rijkelijk laat debuteerde: de meesten naderden de veertig of waren die leeftijd al gepasseerd. Geduld is dus geboden. Daarnaast concurreert de derde generatie met jonge schrijvers van een andere migrantenafkomst. Uitgevers kiezen eerder voor het verhaal van nieuwe Nederlanders: ‘Het Indische verhaal is toch al verteld?’ Ook zegt Captain dat andere tekstuele uitingsvormen, zoals rap-teksten of de in chatrooms gebruikte taal als nieuwe literaire uiting gezien kunnen worden.

Andere verhalen
Natuurlijk, literatuur is de core-business van Indische Letteren. Maar als ik de vraag breder trek, zie ik niet waarom je alleen op papier een Indisch verhaal kan vertellen. Veel jonge Indo’s zijn muzikant, danser, presentator, acteur…Ook zij vertellen een verhaal, maar de manier waarop is anders en ja, ook het verhaal is anders. En al ligt er nog weinig van de schrijvers onder ons  in de boekhandel, online publiceren doet niet meer onder voor publiceren op papier. Dus om de vraag te beantwoorden: ‘Waar blijft de derde generatie?’ Kijk om je heen, we zijn er al!

Verder lezen?
Captain, Esther. ‘Indo rulez!’ (2003) uit Indische Letteren, 18e jaargang, nummer 4.
Iburg, Nora. Van Pasar Malam tot I Love Indo. Identiteitsconstructie- en manifestatie door drie generaties Indische Nederlanders (2010). Uitgeverij Ellessy.

3.0 in de media: Sonja Verbaarschott

Ik wil geïnspireerd blijven om mooie uitzendingen te maken

Sonja Verbaarschott (1975), Indisch via haar vader, is eindredacteur bij het jeugdjournaal. Tijdens de gezellige drukte op de NOS redactie vertelt Sonja met passie over haar baan, haar twee kinderen en de reis die ze maakte naar Indonesië.

Eindredacteur Sonja Verbaarschott © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012
Eindredacteur Sonja Verbaarschott © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012

Nauwelijks binnen krijg ik meteen een rondleiding op de redactie, waar medewerkers van de verschillende programma’s aan kantooreilanden werken. ‘Een leuke opstelling, want zo kun je snel met collega’s informatie uitwisselen,’ zegt Sonja. Een eindredacteur van het NOS Journaal voegt de daad bij het woord: ‘In de VS krijgt een hond een snuitreconstructie, is dat niet interessant voor jullie?’ We gaan zitten aan een hoge tafel midden op de werkvloer. Soms wordt het gesprek onderbroken voor belangrijke ontwikkelingen in de uitzending voor die avond. Maar nergens bespeur ik ook maar enige vorm van stress bij de eindredacteur, die heel natuurlijk schakelt tussen zakelijke besluiten en persoonlijke antwoorden op mijn vragen.

Lotsbestemming
Sonja’s grootouders kwamen in 1952 vanuit Sumatra naar Nederland. Opa was een oud KNIL militair, die Sonja heeft gekend als een fragiele, stille man. Met oma had ze een hechte band, van wie Sonja en haar moeder Indisch leerden koken. ‘Indisch is voor mij warmte en dat er altijd genoeg eten is. En lotsbestemming; het gevoel dat sommige dingen gewoon zo moeten zijn. Wat er Indisch aan mij is? Blijkbaar heb ik sommige gewoonten overgenomen, zoals in het kopje van een gast roeren.’ De zuinigheid die haar oma en vader aan de dag legden, heeft ze zelf niet voortgezet: ‘Dat kon soms ver gaan hoor, koffie hergebruiken bijvoorbeeld.’

Onbeschreven gevoelens van identiteit
Ondertussen laat Sonja een soepje halen, ‘In de kantine hebben ze ook zogenaamd Indisch eten. Dat moet je dus niet eten hier…’ Tijdens haar studie journalistiek woonde Sonja in een studentenhuis in Amstelveen. ‘In die tijd (begin jaren negentig, red.) kon ik nog aanspraak maken op een minderheidsregeling voor studenten, ongelooflijk eigenlijk.’ Wanneer huisgenoten in het weekend naar hun ouderlijk huis gingen, vroeg zij zich soms af wat voor haar ‘thuis’ was. Ze kon die onbeschreven gevoelens van identiteit niet goed plaatsen.

‘Tijdens mijn reis heb ik ervaren dat het goed is zoals ik ben. Je moet vooral nu genieten van alles wat je doet.’

Goed zoals ik ben
Op haar zestiende vertrok Sonja als uitwisselingsstudent naar Portugal. ‘Mijn vader sprak nooit over Indië en misschien zocht ik in een mediterrane omgeving en mentaliteit iets van mijn Indische afkomst.’ Pas tien jaar later reisde ze naar Indonesië. Zonder enorme verwachtingen, maar hopend op mooie ontmoetingen. ‘Ik wilde oude mensen spreken, weten hoe zij leefden. Bij de VVV in Bukittingi – mijn oma’s geboortestad – ben ik op straat gaan zitten en raakte zo met allerlei mensen in gesprek. ‘Tijdens mijn reis heb ik ervaren dat het goed is zoals ik ben. Je moet vooral nu genieten van alles wat je doet.’

Sonja Verbaarschott op de redactie van het Jeugdjournaal © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012

Opa en oma kroepoek

Haar twee zoons van zeven en vier jaar zijn gek op lemper en spekkoek en krijgen ook hun portie familiegeschiedenis. ‘We vertellen over opa’s geboorteland, maar willen ze niet overvoeren met verhalen. Als ze het interessant vinden kunnen ze zelf komen vragen.’ Sonja’s kinderen kennen de luxe van maar liefst drie paar opa’s en oma’s. De buren zijn ook Indisch, dus zij zijn “opa en oma kroepoek”. ‘Mijn zoontje kreeg van “opa kroepoek” een batik overhemd, dat wil hij nu bij elke speciale gelegenheid aan. Wat ik mijn kinderen vooral wil meegeven is dat andere culturen leuk zijn. Wij wonen in een overwegend witte gemeenschap in Amstelveen, dus dat doe ik heel bewust.’

‘Het leukste aan mijn werk is dat je aan de basis én aan het eind van een uitzending staat. Het mooiste is als alle lijntjes weer bij elkaar komen.’

Alle lijntjes bij elkaar

Sonja Verbaarschott © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012

Sonja begon als allround medewerker bij de lokale zender AT5. In 2007 werd ze redacteur bij de NOS en na een jaar werd ze gevraagd om eindredacteur te worden bij het jeugdjournaal. ‘Het leukste aan mijn werk is dat je aan de basis én aan het eind van een uitzending staat. Het mooiste is als alle lijntjes weer bij elkaar komen.’ Gevraagd naar journalistieke hoogtepunten borrelen al gauw de spannende verhalen naar boven: Heftige gebeurtenissen op locatie die uiteindelijk een geslaagde uitzending opleverden. Bijvoorbeeld het neergestorte vliegtuig in Libië, met als enige overlevende het Nederlandse jongetje Ruben. ‘Mijn verslaggever had geen bereik meer en we konden pas heel laat verbinding krijgen. Ik voel dan een grote verantwoordelijkheid voor de verslaggever.’ Gelukkig kon de verslaggever een telefoon regelen en werd het een goede reportage.
Voor de toekomst wil Sonja vooral zorgen dat het werk leuk blijft. ‘Steeds beter worden en geïnspireerd blijven om mooie uitzendingen te maken.

Oproep: Ben jij of ken jij een 3.0’er in de media waarvan jij graag een interview zou willen lezen? Laat het ons weten door een mailtje te sturen naar nora@indisch3.nl

 

3.0 in de muziek: Rob Verbakel

Sjoelen, muziek & bier

Rob Verbakel (1981), geboren en getogen in Helmond, begon op zijn 16e met gitaarspelen. Met zijn band Amsterdam Saints en als sessiemuzikant speelt hij door het hele land en hij geeft gitaarles in zijn studio aan huis. In de intimiteit van de knus ingerichte studio gaat ons gesprek over zware shag, botel tjebok en natuurlijk: muziek. 

Rob is Indisch via zijn moeder, die als negenjarig meisje met haar ouders  vanuit Semarang naar Nederland kwam. Een maand na het interview gaat hij met haar voor een maand naar Indonesië. ‘Het is net of het zo hoort, want alle boekingen met bands vallen tot nu toe ervoor of erna…’ zegt hij met gevoel voor het mystieke.

Kruiden-op-gevoel
Rob begint bedachtzaam, maar komt op dreef als hij vertelt over zijn bandleden, met wie hij graag een potje sjoelt onder het genot van een biertje. Welke waarde hecht hij aan zijn Indische achtergrond? ‘Familiegeschiedenis en gastvrijheid’, antwoordt hij meteen. ‘Mijn moeder is meer gaan vertellen en zelf sta ik er ook meer voor open nu’.  Van zijn moeder leerde hij koken. ‘Ik hanteer dezelfde kruiden-op-gevoel-methode als zij.

Rob Verbakel op het podium © Foto: eigendom Rob Verbakel
Rob Verbakel op het podium © Foto: archief Rob Verbakel

Kaju putih en ander bijgeloof
Het spirituele noemt Rob als iets typisch Indisch. ‘Na acht uur ’s avonds nagels knippen of douchen? Volgens mijn oma zou ik eerder doodgaan als ik dat deed.’ Of de magie van kaju putih om een wrat te laten verdwijnen: ‘het werkt echt!’ Over de introductie van zijn vader bij zijn Indische schoonfamilie kent hij een prachtige anekdote: ‘Mijn oma vroeg of hij tegen pittig eten kon. Stoer beaamde hij dat, maar na de ayam pedis moest hij nodig naar het toilet. Hij wist niet waar die fles voor was en heeft er van gedronken!’

‘Mijn ouders hebben het me makkelijk gemaakt.’

MTV Unplugged
Bij veel Indo’s zit muziek in de familie, zo niet bij Rob. Maar hoe werd hij dan wel gegrepen door muziek? ‘Ik zag als veertienjarige een heel goede gitarist bij MTV unplugged, toen wist ik: dát wil ik!’ Na twee weken elke dag zeuren bij zijn vader kreeg hij zijn eerste akoestische gitaar, die al snel werd verruild voor een elektrische, toen hij bands als Pearl Jam en Metallica hoorde. Rob’s ouders moesten wennen aan zijn keus voor een muzikale carrière, vooral zijn vader. Maar zijn vader ging zich verdiepen in de muziekindustrie en nu adviseert hij Rob zelfs bij het kopen van instrumenten. ‘Uiteindelijk hebben mijn ouders het me makkelijk gemaakt’.

Rob Verbakel on stage Foto: eigendom Rob Verbakel
Rob Verbakel on stage Foto: eigendom Rob Verbakel

Elke dag rijsttafel
Al zit er geen muzikale Indo in de familie, toch hebben Indo’s Robs carrière beïnvloed. Zijn eerste elektrische gitaar kocht zijn vader voor hem van Wally Lucardi, die hij nog kende van Indorock-avonden. Gitaarleraar Herbie Guldenaar, ook Indisch, stoomde Rob klaar voor de vooropleiding van het conservatorium. ‘Eenmaal aangenomen moest ik keihard werken om verder te komen. En dat heb ik gedaan.’ Na de vooropleiding mocht hij door naar de opleiding in Maastricht. Na zijn afstuderen in 2005 deed Rob vier jaar praktijkervaring , onder andere als docent bij de muziekschool van een Indische familie. ‘Trotse Indo’s , dat zie je aan alles wat ze doen. Ik voelde me er meteen thuis, en elke dag stond er een rijsttafel.’

‘Mijn doel? Gezond blijven en plezier in het spelen.’

Speelplezier
In 2007 verhuisde Rob naar Amsterdam, om zijn muzikale horizon te verbreden. Door veel te spelen met bands en op sessies raakte hij thuis in Amsterdam, waar hij later nog zijn masters-titel  aan het conservatorium behaalde. In Amsterdam leerde hij ook de mannen van Amsterdam Saints kennen, die naast het musiceren ook zijn vrienden zijn ‘Ik heb een sjoelbak staan, waarmee we sjoeltoernooien houden, met muziek en bier uiteraard. Mijn doel is gezond blijven en nooit het plezier verliezen in het spelen.’ Het lijkt alsof Rob het zich al pratende beseft: speelplezier is voor hem het belangrijkst, of hij nou met vrienden aan het sjoelen of musiceren is. ‘Ik ben met weinig gelukkig’.

Oproep: Ken of ben jij een muzikale 3.0’er die mee zou willen werken aan een aflevering van 3.0 in de Muziek? Laat het ons weten door een mailtje te sturen naar nora@indisch3.nl

 

Soerabaja: Traag, maar indrukwekkend overlevingsverhaal

Boekrecensie: Soerabaja van Pauline Slot

Soerabaja is een roman gebaseerd op historische feiten. Soerabaja verscheen  op 19 oktober 2012 bij De Arbeiderspers, auteur Pauline Slot debuteerde in 1999 met de roman Zuiderkruis. Reizen en de complexe verhoudingen tussen mensen zijn terugkerende elementen in haar oeuvre, zo ook in SoerabajaEen pasgetrouwd Nederlands stel vertrekt naar Indië, waar ze elkaar door de oorlog kwijtraken. Is dit verhaal – geschreven vanuit de belevingswereld van een ‘oorlogsoverlevende’ – interessant voor 3.0’ers? Soerabaja  vertelt het verhaal van een pasgetrouwd Nederlands stel dat, zonder familie, naar Indië vertrekt, met verstrekkende gevolgen. Het begint in Den Haag, waar Bep en Henk elkaar ontmoeten  in de jaren dertig van de vorige eeuw. Vanuit het perspectief van de jonge vrouw Bep, krijgen we in een briefwisseling  met de familie in Nederland  een gedetailleerd beeld van een andere tijd.

Als Henk Japans krijgsgevangene wordt, wordt Bep een vechter.

Heimwee
Bep wil eigenlijk niet naar Nederlands-Indië vertrekken. Het frustreert haar dat ze als pasgetrouwden nauwelijks van ‘hun huishoudentje’ hebben kunnen genieten.  Toch is het voor Henks carrière het beste en ze gaan. Na een aantal jaar in Indië krijgt het stel kinderen, wat Bep iets te doen geeft. Ze voelt zich vaak eenzaam als Henk van huis is voor zijn werk en hoopt dat ze gauw verlof krijgen om terug  naar Nederland te gaan. Maar dan breekt de oorlog uit en wordt Bep’s verlangen naar Nederland naar de achtergrond verdrongen. Op het moment dat Henk Japans krijgsgevangene wordt, ontpopt Bep zich als vechter. Er volgt een verslag van beiden over de onzekerheid van hun bestaan in kampen, transporten met ‘bestemming onbekend’, en marcherend tot er doden vallen.

Gedateerd taalgebruik
Door het  gedateerde taalgebruik in de brieven vind ik het aanvankelijk lastig om me in Bep te verplaatsen, maar het went wel. Ook  komen er veel namen van familieleden, buren, straten en locaties  voorbij, waardoor het even duurt voordat ik echt in het verhaal zit. Gelukkig blikt Bep in haar eigen commentaar op de brieven  af en toe vooruit, en dit maakt dat je wilt lezen. In het deel van Soerabaja  waarin Bep over de gelukkige tijd in Malang vertelt,  krijgt de lezer subtiele aanwijzingen dat de verhouding tussen de Nederlanders en de Indische bevolking niet onbeladen was: ‘We hadden Beppie een paar centen gegeven om in haar beursje te bewaren en die probeerde ze vaak aan Kokkie te geven, zoals ze mij zag doen. Ook daarover hadden kokkie en Kasan veel plezier, al lette ik er wel op dat Kokkie haar de muntjes weer teruggaf.’ Zonder er veel woorden aan te besteden is het duidelijk dat de verschillende bevolkingsgroepen elkaar in het koloniale Nederlands-Indië niet altijd vertrouwden.

Het  gedateerde taalgebruik maakt Soerabaja aanvankelijk lastig leesbaar.

Leven in twee werelden
Bep schrijft dat ze leefde in twee werelden: een tastbare en een verbeelde, waarbij ze doelt op haar eigen leven in Indië en dat van de familie in Nederland. Maar waar Bep haar best doet met haar brieven in de belevingswereld van haar familie in Nederland aanwezig te zijn, zoekt ze geen toenadering tot de tastbare wereld waarin haar Kokkie, Kasan en de andere personeelsleden leven. Later, in Soerabaja,  wanneer ze de kampong in is gevlucht, zal ze opmerken dat het ‘de enige keer [is] dat we in Indië te midden van Indonesiërs leefden’.

Traag
De neiging van de auteur om correct te zijn in de historische feiten hindert in het begin de vaart van het verhaal. Aan het slot van het boek blijkt pas dat de auteur volledig recht heeft willen doen aan de – waargebeurde – geschiedenis. Ik vind het jammer dat de uitgever voor ‘roman’ op het omslag heeft gekozen, in plaats van ‘historische roman’. Hierdoor moest ik mijn verwachting van het boek al lezend bijstellen en stoorde het mij dat er zoveel met details werd gestrooid. Toch loont het om door te lezen. Veel 3.0’ers zullen hun (groot) ouders herkennen in de passages over dochter Beppie, die als volwassene een dagtaak heeft gemaakt van het hamsteren en opslaan van etenswaar. Maar ook de stilte van oudere familieleden over het kampverleden zal bekend voorkomen.

Soerabaja. Pauline Slot. De Arbeiderspers.  Utrecht, 2012. 18,95 euro. 

Pauline Slot © Erik Smit
Pauline Slot © Erik Smit

Jonge Indo’s in de liefde – Dioni en Riemke

Dioni en Riemke trouwden een jaar geleden

Toen Riemke (31) uit een lange relatie kwam met de vader van haar kind was daar ineens Dioni (30). Hij hielp met haar toen tweejarige zoontje Tijn én hield haar gezelschap als ze even niet alleen wilde zijn. Toen hij een keer zei ‘Laat mij je baboe maar zijn,’ had Riemke door dat deze jongen echt alles voor haar wilde doen. Op een zonnig terras vertelt het stel hoe ze vier jaar geleden van ‘gewoon vrienden’ een koppel werden en nu een jaar zijn getrouwd.

Riemke, een levendige prater, en  Dioni – iets rustiger maar gepassioneerd in zijn mening – leerden elkaar kennen in de organisatie van een re-enactment groep in Utrecht. Omdat Riemke nog in een relatie zat, bleef het bij vriendschappelijk contact. Maar toen het uit ging met haar ex was Dioni veel bij haar thuis te vinden, als steun en toeverlaat. En op een gegeven moment hoefde Dioni niet meer op de bank te slapen.

Ooms en tantes en andere familie
Dioni is Spaans van vaders kant en Chinees/Indisch via zijn moeder. Zijn moeder is in Nederland geboren, zijn grootouders komen uit Jakarta. Hij is voornamelijk door zijn moeder opgevoed en heeft geen broers of zussen. Riemkes moeder komt uit Lunteren en haar vader uit Amsterdam. Zij komt juist uit een grote familie. Toch heeft Riemke er met Dioni een hoop ‘ooms en tantes’ bij, en inmiddels noemt zij ze zelf ook geregeld zo: ‘ Eerst dacht ik dat al die mensen die hij neef, nicht, of oom en tante noemde, echte familie waren.’  Andersom moest Dioni wennen aan een aanspreekvorm in Riemkes familie: ‘Tutoyeren… Ik vond het erg raar dat Riemke haar zus, die een stuk ouder is (er is sprake van een generatieverschil tussen de zussen– red.) gewoon met  ‘je’ en ‘jij’ aanspreekt.’ Riemke : ‘Maar ze is toch gewoon mijn zus ?’

Riemke en Dioni / foto: Dioni en Riemke
Riemke en Dioni / foto: Dioni en Riemke

‘Gevolgen van daten met een Indische jongen? Ik ben vijf kilo aangekomen!’
Wat vindt Riemke typisch Indisch aan Dioni? ‘Hij kan erg beschermend zijn,  vooral in de buurt  van zwangere vrouwen.’ Dioni: ‘Behulpzaamheid is misschien wel een Indische eigenschap.’ Als ik vraag naar wat hij een minder leuke Indische eigenschap vindt, zegt hij zonder twijfel: ‘Dat hele introverte, dat binnenvetten mag je wat mij betreft weglaten. Introspectie is juist goed, maar je moet niet overdrijven.’ Riemke vult aan: ‘Dioni heeft een grappige combinatie van rustig zijn en Spaans temperament.’ Een ander gevolg van de Indische mix van Indisch en Spaans is dat Riemke vijf kilo aankwam toen ze met Dioni een relatie kreeg. ‘In beide culturen is lekker en uitgebreid eten gebruikelijk, dus dan krijg je dat.’

Het laatste beetje drinken
Wanneer ik eerst nog de indruk heb dat de cultuurverschillen tussen de twee wel meevallen, komt er een stortvloed aan voorbeelden als we het hebben over andere gebruiken en gewoontes. ‘Ik zal nóóit een kris kopen,’ zegt Dioni  stellig. ‘Een kris bezit een stukje van de geest van zijn maker, dus als je een kris koopt van een volslagen vreemde, weet je niet welke energie je in huis haalt.’ Bijgeloof, of goena-goena heeft Dioni sterk van zijn moeder meegekregen. Geen geld tellen na 22:00 uur bijvoorbeeld, of het laatste beetje van je drankje laten staan voor overleden dierbaren. ‘Toen we nog niet zo lang iets hadden, dronk Riemke steeds dat laatste beetje uit mijn glas op. Toen is me zelf pas gaan opvallen dat ik dat deed – het was eerst alleen een onbewuste gewoonte van huis uit.’ Inmiddels vindt hij het óók bewust een mooie gewoonte. ‘Indo’s zijn vaak spiritueel aangelegd. Als ik naar mijn moeder kijk, klopt dat ook wel.’

Dioni en Riemke trouwden een jaar geleden
Dioni en Riemke trouwden een jaar geleden – foto: Dioni & Riemke

Respect voor eigenwaarde
Samen voeden Dioni en Riemke de nu zesjarige Tijn op. Wat willen de twee het jongetje meegeven aan belangrijke waarden? Beiden noemen meteen het belang van een hechte familie en respect voor ouderen. ‘Maar,’ vult Riemke aan, ‘wel gepaard met respect voor eigenwaarde. Je hoeft niet alles te slikken, je mag best voor je eigen mening uitkomen, als je het maar netjes zegt.’ Dioni knikt. ‘Indische families hebben de neiging niet recht voor zijn raap te zeggen wat ze van elkaars gedrag vinden. Wat mij betreft mag het wat directer.’

Jonge Indo in de Muziek – Patrick Rugebregt

Patrick Rugebregt – Foto: Patrick Rugebregt

Op het North Sea Jazz Festival 2012

Als hij een stuiterbal was, was Patrick al lang van het terras af gestuiterd. Hij praat rustig, maar van binnen borrelt de opwinding. Zijn grote wens sinds hij een tiener was, is in vervulling gegaan: deze zomer speelt hij op het North Sea Jazz Festival met Tuur Moens & Syndicate. Ontspannen maar vol ambitie vertelt de (jazz)pianist, componist en arrangeur Patrick Rugebregt (25) over zijn passie voor muziek, Indische familiefeestjes en zijn allergie voor… pinda’s!

Boogie Woogie
Op een steenworp afstand van het Utrechtse Conservatorium spreken we af op een terras. Niet dat het conservatorium de start was van zijn muzikale carrière: De eerste keer dat Patrick in zijn bewuste leven in aanraking kwam met muziek was hij vier jaar en zat hij langdurig ziek thuis vanwege zijn allergieën (Patrick is onder meer allergisch voor pinda’s – je verzint het niet!). Tegen de verveling van het thuis zitten, bouwde zijn vader met oude gitaarsnaren een piano voor hem. Hij leerde hem zijn allereerste liedje spelen; een boogie woogie. Het instrument heeft hem vanaf toen nooit meer los gelaten.

Patrick spelend op het conservatorium © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012
Patrick achter de piano op het conservatorium © Nora Iburg / Indisch 3.0 2012

Muzikale familiefeestjes
Patrick is Indisch van vaders kant: hij kwam op achtjarige leeftijd naar Nederland vanuit Sulawesi. Zelf speelt hij gitaar en zingt hij. Maar Pa Rugebregt is niet de enige van de familie die de liefde voor muziek heeft aangewakkerd. ‘Wat ik heb meegekregen van mijn Indische achtergrond? Muziek! De hele familie speelt wel wat: opa dwarsfluit en gitaar, de tantes zingen, de ooms spelen gitaar. Niet professioneel, ze spelen echt voor het plezier. Maar op familiefeestjes – waarbij iedereen hapjes meeneemt – staat iedereen met elkaar muziek te maken’.

Altijd mee kunnen eten
Deze jongen leeft, ademt en eet muziek, merk ik, maar ik vraag toch even verder: ‘Er is vast wel iets anders dan muziek dat je ook typisch Indisch vindt?’ Patrick denkt even na, maar al snel geeft hij antwoord: ‘Gastvrijheid. Dat gasten zich snel thuis voelen in jouw huis, en dat iedereen altijd onaangekondigd mee kan eten.’ Bij dat laatste speelt Patricks Nederlandse moeder een grote rol. ‘Vooral mijn moeder kookt Indisch thuis, en dat doet ze ook heel goed! Wanneer ik vroeger vrienden en vriendinnen van de middelbare school mee naar huis nam, maakte ze er geen probleem van om een rijsttafel klaar te maken.’ Zelf Indisch koken doet Patrick niet en heeft daar verder ook geen speciale belangstelling voor: alle aandacht en passie gaat naar muziek.

Patrick tijdens een optreden – Foto: Patrick Rugebregt
Patrick tijdens een optreden – Foto: Patrick Rugebregt

Van punkrock en hiphop naar moderne jazz
Op zevenjarige leeftijd ging Patrick naar de muziekschool. Muziekstijlen die hem inspireerden gingen echt alle kanten op. ‘Ik luisterde een tijd veel naar hiphop en had zelfs even een punkrockperiode’. Op de muziekschool maakte hij voor het eerst echt kennis met jazz. ‘Een contrabasdocent vroeg of ik in zijn bigband wilde spelen, geweldig! Ook de ensemblelessen, waarbij we veel improviseerden, vond ik heerlijk. Miles Davis was bijvoorbeeld een grote inspiratie, mijn eerste CD’s zijn van hem. Nu ben ik erg fan van moderne jazzpianist Aaron Parks’. Op TV zag de jonge Patrick registraties van North Sea Jazz, met onder andere optredens van Dianne Reeves en Chick Corea. ‘Vanaf dat moment wilde ik daar ook ooit staan.’ Toen Patrick veertien was wist hij: ‘Ik wil naar het conservatorium’.

Een muzikale toekomst

In 2010 studeerde Patrick cum laude af aan het Conservatorium van Utrecht. Hij werd bij zijn eindexamen geprezen voor zijn eigen adem in de muziek. Inmiddels is Patrick zelfstandig muzikant en kan hij van piano spelen leven. In 2009 speelde Patrick voor het eerst een heel album in voor de fusion band Elixxir onder leiding van André Orsel. Begin 2011 start Patrick als vaste toetsenist bij Rigby, een Nederlandse pop/rock band, waarmee hij met de single ‘One Life To The Next’ op 15 kwam in de single top 100 van iTunes. Rigby heeft onlangs hun  tweede single opgenomen en van de zomer gaat de band de studio in voor hun derde album.

De eerste EP van PRQ: Skybound – Foto: Patrick Rugebregt
De eerste EP van PRQ: Skybound – Foto: Patrick Rugebregt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sinds 2011 heeft Patrick zijn eigen kwartet, genaamd PRQ (Patrick Rugebregt Quartet – onlangs overigens een Quintet geworden), waarvoor hij de muziek schrijft. Hiermee nam hij in de zomer van 2011 een EP op ‘Skybound’ met vier  van zijn eigen stukken. Als ik Patrick vraag naar zijn ambities houdt hij zich bescheiden, maar de ogen twinkelen:  ‘Ik wil met  mijn eigen muziek op zoveel mogelijk plekken spelen en verder zoveel mogelijk met muziek bezig zijn.’

Indisch 3.0 zegt tegen al haar lezers: hou ‘m in de gaten – hij gaat hard, deze jongen. Check ook vooral www.patrickrugebregt.nl

Oproep

P.S. Ken/ben jij een muzikale Indo die mee zou willen werken aan een aflevering van Jonge Indo in de Muziek? Laat het ons weten door een mailtje te sturen naar liselore@indisch3.nl 

Jonge Indo's in de Keuken: Lars en Robin Meekel

In_de_keuken_Lars_Robin

De perfecte rijst, recepten op een servetje en een ontplofte keuken. Indisch 3.0 vraagt naar de Indische kookbeleving van de broers Lars (32) en Robin (28) Meekel. Samen met hun (groot)ouders zijn zij één van de families die in Boekoe Bangsa (boek van de familie) over hun lekkerste familierecepten vertellen. Welke gerechten maken zij zelf vaak klaar? En hoe? Eén ding wordt meteen duidelijk: de broers hebben gastvrijheid hoog in het vaandel staan.

Lars en Robin aan de keukentrafel met Boekoe Bangsa © Nora Iburg / Indisch 3.0

Recepten op een servetje

Het is een warme dag als ik bij het appartement van Lars aankom. De flinke trap naar de etage maakt dat ik verhit binnenstorm (misschien was ik ook een beetje te laat). Zodra ik over de drempel stap, wordt mijn jas aangenomen, krijg ik de beste plek aan tafel en staat er een pot thee klaar. Het interview kan beginnen. Lars en Robin Meekel zijn Indisch via hun moeder. Hun grootouders komen beiden uit Java, oma uit Salatiga en opa uit Madiun. Het koken hebben ze van oma Miep Nix geleerd.  Op welke leeftijd de interesse om te koken ontstond? Lars: ‘Het ging heel geleidelijk. Meekijken in de keuken als oma weer eens voor veel te veel mensen aan het koken was.’ Ook kregen ze vaak recepten mee naar huis, vlug op een servetje gekrabbeld. Zoals sajur lodeh of frikadel djagung, één van hun favorieten.

Nasi kuning
Trots laten Robin en Lars foto’s zien in Boekoe Bangsa. ‘Opa en oma hadden wel wat bedenktijd nodig voordat ze aan het boek mee wilden werken. Er komen toch meteen hele verhalen van vroeger los.’  Lars en Robin hebben duidelijk minder bedenktijd nodig gehad. Ze laten zich makkelijk bevragen en in de tussentijd vang ik vermakelijke discussies op over  hoe je nasi kuning klaarmaakt.  Lars: ‘Heb ik wel eens gedaan, maar dat is wel een gedoe toch?’ Robin: ‘Nee joh, er moeten gewoon bepaalde kruiden in.’ ‘Welke dan?’ ‘In ieder geval heel veel verschillende.’ Ondertussen wordt mijn kopje thee steeds bijgeschonken en de citroencake lijkt ook maar niet op te gaan.

Familierecept op een servet © Nora Iburg / Indisch 3.0

Oma’s vingerkootje
Lars en Robin wonen op een steenworp afstand van elkaar in Amsterdam. Ook de rest van de familie woont in de buurt. Ze vinden het dan ook belangrijk om elkaar regelmatig te zien. Op de vraag wat ze aan familiewaarden in het koken meenemen, zijn ze het meteen eens: trouw blijven aan de familierecepten. Robin: ‘We koken zoals we de gerechten zelf kennen uit onze herinnering. Ik wijk niet af van de specifieke ingrediënten die in een gerecht horen.’ Maar ook de basis moet goed zijn, hoe je rijst kookt bijvoorbeeld: drie keer wassen, vingerkootje water – en daarbij houden de broers er rekening mee dat oma’s  vingerkootje natuurlijk veel kleiner is – koken tot er kleine putjes in de rijst vallen en daarna nog stomen.

De beloning
En wat is nu het leukste aan Indisch koken? Robin: ‘Na een avond stappen voor je vrienden gado gado maken.’  Lars: ‘Het opeten! Nee, het leukste is dat de mensen voor wie je kookt van het eten genieten.’ Ook vinden de broers het leuk om, als oma kookt, haar achteraf te helpen met opruimen. ‘Want als oma kookt, dan is het één grote explosie in de keuken.’ Gezelligheid in huiselijke kring en samen genieten van het eten is voor de jongens toch wel de grootste beloning.  Misschien met een tikkeltje geldingsdrang erbij, want de familierecepten zijn onverbiddelijk en een fout is dan snel gemaakt, lijkt mij. Maar dat het dan ook heel lekker is, geloof ik meteen. Het zal me ook niet verbazen als de broers direct na mijn vertrek zijn gaan uitzoeken wat toch weer de juiste kruidenmix is voor de échte nasi kuning.

 

Frikadel Djagung © Nora Iburg / Indisch 3.0

Het familierecept van Lars en Robin: Frikadel Djagung

3 kleine blikjes maïs

½ prei
½ bos selderij
Peper en zout
Nootmuskaat
4 grote tenen knoflook
3 à 4 grote eetlepels pannenkoekenmix
1 ei

Groenten en kruiden in de keukenmachine klein maken. Let op: het mag geen pap worden. Eventueel peper en zout toevoegen. Het mag een beetje zoet smaken. Doe alles in een kom en meng de pannenkoekenmix en het ei  erdoor. In een koekenpan een laagje olie heet laten worden. Met twee eetlepels een hoeveelheid naar keuze van het maïsmengsel in de olie leggen, voorzichtig vormen tot een rond, plat koekje. Aan beide zijden bakken tot ze mooi bruin zijn.

Selamat makan!

Ben jij een Jonge Indo die graag in de keuken staat en zou je wel willen meewerken aan een aflevering van Jonge Indo in de Keuken? Laat het ons weten door een mailtje te sturen naar liselore@indisch3.nl.  

Michael Jeremy – uitersten combineren en samenbrengen

Michael Jeremy (27) producer en rapper uit Utrecht

Voor deze aflevering van  Jonge Indo’s in de muziek toog Indisch 3.0 naar Utrecht Overvecht, waar producer en rapper Michael Jeremy (27) woont. De muziek heeft hij van huis uit mee gekregen van zijn vader,  bassist en geluidsman, die hem al vroeg in aanraking bracht met verschillende instrumenten. Op jonge leeftijd maakte hij zijn eigen mixtapes.

In de stromende regen kom ik bij een reusachtige flat in Overvecht. Een beetje verloren kijk ik om me heen, maar Michael Jeremy heeft me zien fietsen en hangt op de tiende verdieping uit het raam om me te verwelkomen. Bij binnenkomst valt me een eigenaardige combinatie van de inrichting op. In de huiskamer staat een houtgesneden Dewi én een vitrinekast met Star Wars spullen. In de muziek houdt Michael Jeremy ook van het combineren van uitersten: ‘Het leukste van muziek maken is dat je heel creatief bezig bent. Ik mix allerlei stijlen met elkaar, metal, pop, dubstep, rock, maar wel altijd met rap erin. Daarmee is mijn interesse voor muziek begonnen: zelf teksten schrijven en heel veel naar hiphop luisteren.’

Michael Jeremy (Studio MJ)
Michael Jeremy in zijn studio

Kritisch én positief
Samen met huisgenoot Peggy Lou schrijft Michael Jeremy Nederlandstalige raps waarin positivisme en maatschappijkritiek hand in hand gaan. ‘Je kunt wel zeggen wat er niet goed is aan de samenleving, maar je moet ook een alternatief bieden. Alleen maar klagen werkt niet echt inspirerend.’ Dat de twee huisgenoten met hun muziek een boodschap willen overbrengen blijkt wel uit het feit dat ze in 2010 voor de SP het campagnenummer ‘Stem voor je Stufi’ geschreven en geproduceerd hebben.

‘Ik schrijf altijd eerst de tekst, dan pas de beat. Bij hiphop is het vaak andersom, maar zo werk ik gewoon niet. Ik bedenk eerst wat ik wil vertellen en pas de muziek daarop aan. Want het mooiste is als je uit de muziek de boodschap van de tekst kunt afleiden.’
Dit jaar staat de release van de EP ‘Stille Schreeuw’ gepland. Wat begon als een experimenteel hip-hopalbum, is gaandeweg meer een cross-over project geworden van rock, pop, rap en af en toe zelfs een dubstep nummer.

Huisstudio
Na al dat gepraat over muziek ben ik nieuwsgierig geworden en wil ik wel wat horen. Eén kamer in het huis is omgebouwd tot huisstudio, met een elektronisch drumstel, basgitaar, verschillende toetsinstrumenten en natuurlijk speakers en een computer.  Al een paar jaar is hij bezig om de studio, naast zijn werk, op te bouwen. ‘Ik ben afgestudeerd in sociaal juridische dienstverlening, en ben nu voltijds aan het werk.’ Benieuwd naar wat zijn ambities zijn, vraag ik of hij zijn projecten als producer wil uitbreiden: ‘Ik heb de laatste tijd veel nieuwe spullen aangeschaft voor de studio, dus ja, het is wel een soort van investering.’

Het valt me op dat de muziek die ik te horen krijg heel melodieus is, met veel aandacht voor de instrumenten. Bij rap ben ik geneigd  te denken aan volgerapte tracks, waarin één en dezelfde beat de boventoon voert. Maar dit zijn liedjes met een popstructuur, mooie vocalen én ruimte voor extatische solo’s. Voor de gezongen refreinen zet Michael Jeremy steeds een andere zanger of zangeres in. En de instrumentalisten hoeft hij al helemaal niet ver te zoeken: ‘Mijn oom heeft de gitaar ingespeeld,’ vertelt Michael Jeremy terloops. En tijdens het interview blijkt dat er wel meer familieleden als gastmuzikanten aan zijn nummers meewerken. Of hij met opzet familie mee wil laten doen, of dat het gewoon handig is, de muzikanten zo dichtbij, antwoordt hij lachend: ‘Indische mensen zijn gewoon goed in muziek.’

Het Indische gevoel van Michael Jeremy
Zijn vader en moeder zijn allebei Indisch. Hun families waren bevriend met elkaar en zo hebben zijn ouders elkaar leren kennen.  ‘Het Indische gevoel is voor mij het lekkere eten en het familiegevoel; mijn neven zijn ook mijn beste vrienden bijvoorbeeld. En de humor – zoals grapjes in die typische tongval – die een niet-Indo misschien niet zou herkennen. Toch zijn Indische  mensen vaak wel bescheiden, een beetje timide soms; zoals zaken met ‘soedah, laat maar’ afwimpelen. Maar zelf ben ik niet zo. Dat past gewoon niet bij me.’

De vrijheid van muziek
‘De vrijheid van doen wat je zelf wilt, vind ik heel belangrijk. Of het nu om werk, school of iets anders gaat, die vrijheid heb je niet altijd. Als ik muziek maak en teksten schrijf, is er niemand die zegt wat ik moet doen. Dat wil ik graag zo houden. Het is een manier om de maatschappij te ontvluchten en nieuwe werelden te ontdekken.’

Michael Jeremy (Studio MJ)
Michael Jeremy in zijn thuisstudio

‘Met mijn muziek trek ik de luisteraar graag uit zijn dagelijkse sleur. Ik deel graag mijn creativiteit en passie met anderen. Als iemand zich door mijn muziek getroost voelt wanneer hij alleen is en weer lacht, dan motiveert dat mij  nog maar méér om muziek te maken.’

 ‘Muziek zal altijd een grote rol in mijn leven spelen. Als ik geen muziek maak, luister ik het wel de hele dag. In mijn ideale wereld zou ik elke dag tracks maken met de beste artiesten. In een grote studio in de bergen, goed voor de akoestiek, met slaapgelegenheid en onbeperkt gevulde bar. En een toko in de buurt!’

Op de website van Michael Jeremy zijn binnenkort snippets te beluisteren van de EP “Stille Schreeuw”: www.michaeljeremyprojects.nl