Hoe het begrip genocide mijn ogen opende.

Vrijheidsstrijd was terecht, geweld bersiap moreel verwerpelijk.

En daar was het dan, afgelopen maandag. Het artikel in Trouw dat de bersiap-periode in een nieuw perspectief plaatste. Het onderzoek naar deze periode van William H. Frederick (gepubliceerd in september 2012) is voor mij een eye-opener:  ondanks dat Indonesië een moreel te verdedigen strijd voerde, is het geweld van de bersiap moreel onjuist.

Maandag verscheen in Trouw een interview (betaalde versie, 28 euro) met onderzoeker William H. Frederick, docent geschiedenis van Zuid-Oost Azië aan de Ohio University in Athens, Ohio (USA). Op basis van onderzoek dat Frederick in 2012 publiceerde in het Journal of Genocide Research, vertelt hij Trouw-redacteur en biograaf Meindert van der Kaaij dat het wonderlijk is dat Nederland nauwelijks aandacht heeft besteed aan de bersiap.

“Hij (William Frederick, KV) kent geen ander land dat de moord op zoveel medeburgers zo gelaten heeft geaccepteerd en vervolgens is vergeten,” parafraseert Van der Kaaij in het artikel. Frederick wijt deze ontkenning vooral aan de “tendens (…) om de Indonesische revolutie als min of meer onschuldig en op wereldschaal als niet zo gewelddadig te beschouwen.” Toch vindt Frederick het terecht om te spreken van een gewelddadige revolutie: “De cijfers – genocide op minstens 20.000 mensen, een veelvoud daarvan aan moorden op Indonesiers, en een totaal dodenaantal tussen de 250.000 en 300.000 – wijzen op een andere werkelijkheid.”

Foto van de website over de documentaire Archief van tranen. http://www.archiefvantranen.nl/uw-verhaal/
“Begin van een aanval door een grote groep indonesische extremisten op een wagon Nederlandse vrouwen, kinderen en jongens op het station Tasikmalaja (West-Java) eind augustus 1945, de zgn. Bersiap-tijd. Doordat de machinist op dat moment besloot de trein te laten vertrekken, zijn de nederlanders, naar het zich liet aanzien, aan een massale afslachting ontkomen”. Door Jan Mobach. Bron: website over de documentaire Archief van tranen.

Wanneer spreek je van genocide? Ik Google er op. Dit is wat ik vind op Wikipedia.

‘een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen: ‘het doden van leden van de groep; het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep; het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging; het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen en het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.’[1]

Frederick nuanceert het begrip genocide voor de bersiap nadrukkelijk:

“(…) the term ‘genocide’ for the killing of Dutch and Eurasians in revolutionary Indonesia may not be thought warranted from a ‘scientific’ or legal perspective, and that efforts to encompass this sort of decolonization violence with terms such as ‘subaltern genocide’ are still fraught with difficulties. Still, ‘genocide’ used in a generic, common- sense fashion draws attention to a hidden episode of horrific violence, and further study may be of use to scholars of decolonization and genocide in general, as well as Indonesia specialists and Indonesians themselves.”

Vrij vertaald: de bersiap was een periode van geweld die hoorde bij het dekolonisatieproces. De term genocide is vanuit juridisch of technisch perspectief misschien niet terecht. Je mag het begrip echter wel gebruiken om te appelleren aan de kennis die de gemiddelde burger erover heeft, om aandacht te vragen voor het vreselijke geweld dat heeft plaatsgevonden. En dat is wat het bij in elk geval gedaan heeft.

Als ik zijn stuk en interview lees, kan ik niet anders dan Frederick gelijk geven. Het is bekend dat de acties van de pemoeda’s wreed waren en erop gericht om een groep mensen behorende tot het (Indisch-) Nederlandse ras te vernietigen. Ik verbind voor nu vijf conclusies aan de één jaar oude publicatie van Frederick – die ik zonder het interview in Trouw waarschijnlijk niet had gevonden.

1. Voor het eerst realiseer ik me de omvang en ernst van het geweld dat mijn opa’s en oma’s en die van jullie allemaal hebben overleefd – of niet. Wist ik dit dan niet? Jawel. Maar ik overzag simpelweg niet dat de pemoeda’s met hun afgrijselijke, barbaarse methodes, doelbewust een volk hebben geprobeerd uit te roeien. Maar vooral overzag ik niet dat hun strijd, ondanks dat die gericht was tegen hun koloniale heerser, gepaard ging met geweld dat inging tegen alle conventies van oorlogsvoering – net zoals dat gold voor de standrechtelijke executies door Nederlandse militairen.

2. De timing van Trouw van dit interview is opvallend. Het onderzoek is een jaar geleden gepubliceerd, maar de krant plaatst er pas een interview0over in de week van de handelsmissie van premier Rutte aan Indonesie. Het is achteraf bezien maar goed dat de premier deze week geen excuses heeft gemaakt aan de weduwen van de door Nederlandse militairen standrechtelijk geëxecuteerde Indonesiërs.

"Aanval van extremisten op een transport van nederlandse vrouwen en kinderen in de zgn. Bersiap-tijd. November 1945, Palmenlaan te Soerabaja- Impressie van een ooggetuige-verslag". Tekening van Jan Mobach, te vinden op www.archiefvantranen.nl.
“Aanval van extremisten op een transport van nederlandse vrouwen en kinderen in de zgn. Bersiap-tijd. November 1945, Palmenlaan te Soerabaja- Impressie van een ooggetuige-verslag”. Tekening van Jan Mobach, te vinden op www.archiefvantranen.nl.

3. Vind ik dat Indonesië excuses moet maken aan Nederland hiervoor? Dat is niet de insteek geweest van Frederick’s werk. Bovendien: Nederland stond “aan de verkeerde kant van de geschiedenis,” in de – historische – woorden van Ben Bot. Nederland had zichzelf  ook behoorlijk laten gelden in de 300 koloniale overheersing van de archipel, valt in diezelfde editie van het Journal of Genocide Research te lezen. Voor je het weet kom je terecht in een juridische strijd, waarbij de ene misdaad tegen de andere afgewogen wordt en de daders van het toneel verdwenen zijn.

4. De ‘frisse blik’ van deze historicus laat maar weer eens zien hoe waardevol het is als iemand van buitenaf naar de Nederlandse samenleving en geschiedenis kijkt. Hij benoemt in het interview een paar pijnpunten die de Indische gemeenschap – noodgedwongen – heft geaccepteerd. “Het verbaast me wel dat de bersiap geen grotere rol heeft gespeeld in de media.” (…) “Het valt me op dat Nederland zo weinig kennis over of sympathie voor de slachtoffers had.” en “Waarom Timmermans zich door Indonesië iets laat zeggen over wat historici in Nederland mogen bestuderen, is me een raadsel. (…) “Het gevaar is dat Nederland voor altijd blijft zitten met een simplistisch en volkomen verkeerd beeld van de dekolonisatie.”

5. Ik blijf erbij dat het Nederlandse onderwijs hier de sleutel voor de oplossing biedt. Zorg ervoor dat elke Nederlander weet hoe Nederlanders, Indisch en totok, hebben geleden onder de Indonesische revolutie. Dat Indonesië zich niet zal kunnen vinden in die lezing van hun aandeel in de geschiedenis, neem ik voor lief. Want ik denk dat wij ook wel wat vragen kunnen stellen over hun geschiedenisboekjes.

Tip: lees ook de recente reactie van William H. Frederick op de discussie in Nederland op Indisch4ever.  En koop de editie van het Journal of Genocide van september 2012, voor meerdere artikelen over geweld in Nederlands-Indië en het gedekoloniseerde Indonesië.

Tekst bij tekening 2 jeugdherinnering Jan Mobach: "Aanval en Ontsnapping. Station Tasikmalaja-Java, maandag 24 september 1945" Bron
Jan Mobach: “Aanval en Ontsnapping. Station Tasikmalaja-Java, maandag 24 september 1945” Bron.

Stille tocht voor de ‘Indische kwestie’

Interview met voorzitter Indisch Platform

door Kirsten Vos

Over een week rijden er legervoertuigen in Den Haag, van het Vredespaleis naar de Tweede Kamer. Aanleiding van deze zogenaamde Stille Tocht is de petitie van het Indisch Platform. IP-voorzitter Silfraire Delhaye biedt dinsdag 19 maart a.s. aan de Tweede Kamer de meer dan 10.000 handtekeningen tellende petitie aan. Onderwerp: De Indische kwestie. Indisch 3.0 gaat erover in gesprek met de heer Delhaye.

Voordat we de diepte ingaan, meneer Delhaye, hoe staat het met de opkomst voor de stille tocht?

“De steunbetuiging voor onze pogingen tot een oplossing te komen is groot. Er komen zeker tussen de 500 tot 1000 Indische Nederlanders, om de aanbieding van de petitie te steunen door mee te lopen in de stille tocht. Het zijn vooral ouderen, maar jongeren hebben zich ook gemeld. We krijgen begeleiding in legervoertuigen van veteranenorganisatie Keep them rolling. En het is een gemengd gezelschap. Niet alleen maar Indo-Europeanen, ook totoks (volbloed Europeanen die in voormalig Nederlands-Indië leefden, KV). Het wordt een beschaafde happening.”

Hoe gaat die aanbieding in zijn werk?

“We verwachten de petitie aan te bieden aan de voorzitter van de Tweede Kamer, zoals dat gebruikelijk is met petities. Geen lange toespraken, we gaan niet op de barricades of op kistjes staan. Daarna gaan we in besloten overleg met de vaste  kamercommissie* van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).** We hebben het minimum aantal handtekeningen voor de petitie binnen, dus de kwestie komt sowieso op de agenda van de Tweede Kamer.”

Goed. Wat ís die Indische kwestie?

“Die bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste gaat het om Nederlandse ambtenaren van het Indisch-Nederlands  gouvernement die tijdens de Japanse bezetting in overheidsdienst waren, dat kunnen KNIL-militairen en gewone burger ambtenaren zijn. Deze mensen hebben tijdens de 42 maanden van de Japanse bezetting geen salaris ontvangen. We noemen die achterstallige salarissen ‘de backpay’-kwestie.”

“Dan is er de compensatie van materiële oorlogsschade. Hier in Nederland hebben mensen compensatie ontvangen voor de schade aan bijvoorbeeld hun huizen door de Duitse bezetter. Dat is geregeld in de Wet op de Materiële Oorlogsschaden van 9 februari 1951. In die wet zijn de  inwoners van Nederlands-Indië  uitdrukkelijk buitengesloten van deze compensatie (inmiddels opgenomen in de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen, zie artikel 1a, KV).”

“Ten derde is daar het oorlogsleed. En dat handhaaft de Nederlandse regering, zolang deze twee andere kwesties niet opgelost zijn.”

Het gaat om KNIL-militairen en gewone burger ambtenaren

Heeft een deel van de Indische kwestie niet te maken met de afspraken die gemaakt zijn bij de overdracht van het bestuur aan Indonesië? Indonesië zou de achterstallige salarissen betalen en de materiële oorlogsschade vergoeden, maar heeft dit nooit gedaan?

“De Nederlandse regering verschuilt zich daarachter.”

Daar is toch eerder een rechtszaak over geweest, in de jaren ’50? Toen heeft de Hoge Raad geoordeeld dat Nederland weliswaar geen juridische schuld meer had, maar wel een morele?

“Dat ligt iets genuanceerder. De vorderingen zijn door de rechtbank afgewezen, omdat zij niet aan de juiste partij zijn gesteld. De vorderingen zouden niet op de Staat der Nederlanden betrekking hebben, maar  “op de Republiek Indonesia als zijnde de rechtsopvolger van de voormalige rechtspersoon Nederlands-Indië”. Dit standpunt is consequent gehandhaafd door opeenvolgende regeringen, ondanks de arresten van de Hoge Raad uit 1957 en 1958 waarin gesteld wordt, dat de Nederlandse Regering wel een morele verantwoordelijkheid heeft in deze kwestie voor haar Nederlandse onderdanen in het voormalige Nederlands-Indië.”

Uitnodiging voor de stille tocht op 19 maart a.s. in Den Haag.

Over hoeveel geld gaat de Indische kwestie eigenlijk?

“Er gaan geruchten alsof het om miljarden gaat. Die geruchten zijn gebaseerd op bedragen uit de twee Niod-rapporten***. Het Indisch Platform vraagt om een bevredigende, billijke  en redelijke vergoeding. Ik kan niet vertellen om welke  bedragen het uiteindelijk zal gaan. Dat hangt bijvoorbeeld onder meer af van wie uiteindelijk werkelijk een claim gaan indienen. ”

Film door www.indisch4ever.nu

De Indische kwestie speelt al ontzettend lang. Veel mensen hebben de moed al opgegeven. Waarom verwacht u nu wel een doorbraak?

“In 2011 was er de motie-Dijkstra (D66), die stelde dat er een ‘commissie van wijzen’ zou moeten komen om te onderzoeken of de Indische kwestie met het Gebaar opgelost was. Die motie is (net, KV) niet aangenomen door de Tweede Kamer. Maar die kwestie is nog niet opgelost. Het is er nu de tijd voor, dat de Nederlandse regering instemt met het instellen van die commissie. Ik vermoed dat die motie verworpen is uit angst voor hoge bedragen.”

Motie Dijkstra is verworpen uit angst voor hoge bedragen

Dus nu gaat het niet om hoge bedragen? Hoe kan het dan genoeg zijn om de achterban voorgoed tevreden te stellen?

“Het gaat eerst om erkenning en excuses van de Nederlandse regering en bij erkenning hoort een symbolische compensatie. Wij zijn bereid om daarover met de overheid te praten, waarbij het ons niet gaat om vele miljarden. Want het niet erkennen van deze kwestie, houdt het oorlogsleed in stand.”

Er is toch een wet die wel tot uitkeringen voor Indische Nederlanders heeft geleid? Die heeft tot veel beroering geleid in Indisch Nederland? Mensen moesten aantonen dat ze in bepaalde kampen hadden gezeten en als ze dat niet konden, kregen ze geen uitkering?

“Dat is de WUV/ WUBO, gericht op het compenseren van lichamelijk letsel als aantoonbaar gevolg van de oorlog, net als emotioneel en geestelijk leed.

En verder heeft Indonesië herstelbetalingen gedaan aan Nederland in verband met de Bersiap en de Japanse bezetting. Volgens Nederland is dat een afgedane kwestie. Ik heb indicaties dat nader onderzoek nuttig is. ”

Veel succes, meneer Delhaye, met het gesprek op 19 maart en dank voor dit interview.

*In de vaste kamercommissie zitten alle Tweede Kamerleden van de politieke partijen, die zich met dit onderwerp bezighouden. De kamercommissies zijn georganiseerd naar departement. Naast de vaste kamercommissie voor VWS zijn er bijvoorbeeld ook vaste kamercommissies voor Infrastructuur en Milieu, en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een overzicht van alle commissies vind je op de website van de  Tweede Kamer. De meeste algemene overleggen van commissies zijn openbaar. Dat deze dat niet is, is dus in elk geval afwijkend van de norm. De aanbieding van de petitie staat niet duidelijk aangekondigd op de agenda van de Kamercomissie, wel het kennismakingsgesprek. Dit heeft, tot slot, te maken met het aantreden van het nieuwe kabinet: er zijn nieuwe kamerleden die zich over de Indische kwestie buigen, en daarom een kennismakingsgesprek hebben met het Indisch Platform.

**Het ministerie van VWS in Den Haag is eerste aanspreekpunt voor deze kwestie. Dit is historisch zo gegroeid;  repatrianten uit Nederlands-Indië kregen hun ondersteuning en begeleiding bij aankomst in Nederland van de dienst van Maatschappelijke zorg. Dit is de voorloper van het ministerie van VWS. Bovendien heeft de Indische kwestie impact op de mentale gezondheid van Nederlandse burger, en vallen oud-strijders onder de veteranenzorg, beide de verantwoordelijkheid van datzelfde ministerie.

*** Het NIOD, het Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies in Amsterdam, heeft twee publicaties uitgebracht over (het gebrek aan) financiële afwikkeling van Nederlands-Indië. De eerste, uit 2005, Indische rekening, is geschreven door Hans Meijer en Margaret Leidelmeijer. De tweede, Sporen van vernieling, is geschreven door Peter Keppy en in 2006 gepubliceerd. Beide edities zijn niet meer leverbaar.

 

Oeroeg: koloniaal noodlot?

Oeroeg is hét boek dat deze maand, volgens Philip Freriks, ‘zoveel mogelijk mensen tegelijk moeten lezen en bediscussiëren.’ Hella S. Haasse’s roman staat bol van de koloniale gedachten en in zijn tijdsgewricht geplaatst, 1948, is dat prima. Maar stelt Nederland met de massale verspreiding in het k ader van Nederland Leest eindelijk het koloniale verleden ter discussie, een maand voor de zestigste verjaardag van de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië?

De film Oeroeg uit 1993
De film Oeroeg uit 1993

“Ik luisterde zwijgend naar de stortvloed van beschuldigingen en verwijten, die Oeroeg en Abdullah, nu pas werkelijk in vuur en vlam, richtten tegen het gouvernement, tegen de Nederlanders, tegen de blanken in het algemeen. Ik geloofde dat veel van hun beweringen slecht gefundeerd of onrechtvaardig waren, maar ik beschikte niet over de argumenten om ze te weerleggen.” – Oeroeg, Hella S. Haasse

Na lezing van Benali’s essay Een soufflé in de oven snap ik de CPNB-keuze voor dit Nederland Leest-boek, en stel ik over de keuze voor hem als essayist geen vragen meer. ‘Een echt goede vriendschap is gebaat bij ongelijkwaardigheid’, en ‘overbrugt niet zozeer alle verschillen, maar ontkent domweg dat ze bestaan’, aldus de schrijver. Of Benali zich er bewust van is of niet, hiermee laat hij zien dat hij begrijpt hoe Nederland omgaat met zijn koloniale erfenis: Nederland kijkt liever naar het verlies van de ‘vriendschap’ dan naar de verschillen daarin, die het 300 jaar in stand gehouden heeft. Reacties uit Indonesië én Nijholt’s Lofrede benadrukken deze historische visie.

In het NOS Acht Uur Journaal reageert de Indonesische schrijfster Ayu Utami op de Indonesische vertaling van Oeroeg. Indonesiërs vinden niet dat zij een geschiedenis delen met Nederland, en al helemaal geen romantische: Nederland is de verslagen bezetter. De Groene Amsterdammer van 23 oktober vertelt hoe Indonesische studenten Oeroeg beschouwen ‘als een exponent van de Mooi Indië-attitude’, en dat Haasse niet schrijft over Indonesië, ‘maar over Nederlands-Indië’. Willem Nijholt geeft, in zijn fraai geschreven Lofrede, aan dat hij niets meer wilde horen over de voormalige Nederlandse kolonie in Azië, behalve wat hij in Hella S. Haasse’s roman aantrof, toen ‘alles nog als vroeger ja?’ was. Tempo doeloe dus, in de herhaling.

Het CPNB wil dat Nederland naar aanleiding van Oeroeg praat over vriendschappen tussen culturen. Een mooi en nobel streven. Daarbij gaat de stichting alleen compleet voorbij aan een discussie die in Nederland nooit gevoerd is, namelijk de vraag wat het geleerd heeft van zijn koloniale verleden, een verleden dat bovendien, te oordelen naar de voorkeur voor acteur Nijholt, zo wit mogelijk is.

Nijholt
Acteur Willem Nijholt

Want het is toch raar om de – donkere – Indo, acteur en regisseur Martin Schwab te passeren voor de rol van Oeroeg, terwijl hij in de gelijknamige film uit de jaren ’90 Oeroeg speelde? Schwab: “Ik heb het CPNB gemaild en mijn diensten aangeboden, maar in eerste instantie bedankten ze me per kerende e-mail. Ik weet niet waarom ze me niet benaderd hebben.” Navraag leert dat het CPNB het een rare vraag vindt, waarom iemand niet gevraagd is, en heeft er geen antwoord op.

Toch neem ik de uitnodiging tot discussie van het CPNB aan en vraag: 1. Was het het noodlot ‘waar een mens nooit iets aan kan veranderen’, aldus Nijholt, dat de vriendschap tussen Oeroeg en de hoofdpersoon beëindigde? 2. Is het einde van Nederlands-Indië te wijten aan de aanwezigheid van datzelfde noodlot, of kwam dat wellicht door een beginnend streven naar gelijkwaardigheid? 3. Waarom kan in Nederland zo’n koloniaal boek massaal aftrek vinden?

Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek