Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.
Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.
Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.
De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.
Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.
Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.
Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?
Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.
Bestel het boek
HS schreef:
Ik zou de laatste zijn om denigrerend over Tjalie Robinson te doen. Ik vind hem een groot schrijver en ben er van overtuigd dat als hij zich niet beperkt had tot de Indische letteren, en met name zijn specialiteit de wereld van de Indo in Nederlands Indie, hij tijdloos en universeel zou zijn geweest.
———————————-
Ben met HS eens.
Vind dat si Tjalie een goede schrijver is omdat hij verhalen schreef over de Indo’ s(Ind.Ned) in Batavia en omgeving .
In het begin van mijn verblijf in Nederland heb ik een ” gekleurde” mening over de ” Indo’ s” , maar ondanks dat voel ik me aangetrokken op de maniet hoe hij de Indo samenleving in Batavia beschreef.En indirect de verhouding met de totoks .
Had in de jaren 70 zijn boeken meermalen geleend van de bibliotheek , totdat het in een paar jaar gerleden zijn boeken op de kop kan tikken.
Ik vraag me af hoe de ontwikkeling van het Indo/Indische samenleving zal verlopen zijn zonder zijn bijdrage .
Jempol die fen .
Ik zou de laatste zijn om denigrerend over Tjalie Robinson te doen. Ik vind hem een groot schrijver en ben er van overtuigd dat als hij zich niet beperkt had tot de Indische letteren, en met name zijn specialiteit de wereld van de Indo in Nederlands Indie, hij tijdloos en universeel zou zijn geweest. In dat opzicht doet hij me denken aan een Koreaanse dichter uit de 19e eeuw, Kim Sakkat, die geniale gedichten schreef, maar omdat ze zo specifiek zijn voor zijn tijd, ontwikkeling en sociale positie, de huidige generatie Koreanen zijn gedichten zonder een uitgebreide uitleg niet kan lezen.
Hij is ongetwijfeld bepalend geweest voor de creatie van de Indische identiteit in Nederland als reactie op het paternalisme en het racisme waarmee de generatie van mijn ouders hier werden geconfronteerd. Dat gezegd hebbende ben ik van mening dat die Indische identiteit hier ontstaan/gemaakt zijn en niet een voortzetting is van iets wat in Indie/Indonesie bestond.
Bij assimilatie denk ik aan het opgeven van essentiele zaken zoals taal en gebruiken. Ik geloof niet dat dat algemeen gold voor de generatie van mijn ouders. Zij spraken Nederlands en hun referentie kader was Nederlands. Je kan van een Limburger die naar Amsterdam verhuist ook niet zeggen dat hij assimileert.
Quote Ed: Jouw vraag kan ik nauwelijks beantwoorden want ik las pas zo’n 10 jaar geleden voor het eerst zijn naam. Het gekke is dat mijn vrouw wel een boekje van hem heeft gelezen, Ik en Bentiet , en dat vond ze heel grappig! Maar ik zal het tzt ok zeker doen, iets van hem lezen..
Ik zag zijn verzameld werk nog voor 90 euro staan op de tweede handse markt in Tilburg, maar dat vond ik wel te veel gevraagd
We kunnen beter over Tjalie ngobrollen dan over Wilders toh, Tjalie was tenminste een “echte” Indo. Jaren geleden heb ik eens voor veel geld (teveel) “Piekerans van een straatslijper” I + II aangeschaft. Ik wilde wel eens iets in het petjoh lezen. Er staan een aantal zeer goede verhalen in, zeker het verhaal “Kerstviering met pa en ma” vond ik geweldig, doch veel stukjes waren in mijn ogen echter gewoon journalistiek werk. Later nog eens “Tjies” van Vincent Mahieu gekocht, maar nooit uitgelezen, boeide me totaal niet. In een boekje samengesteld door Vilan van de Loo (Indië ongekuist) staat nog een erg mooi verhaaltje van Tjalie’s hand met de titel “Vivere Pericolos Amente”
Ik vraag me af hoeveel mensen zijn verhalen werkelijk hebben gelezen, want het meeste is nogal gedateerd. Iedere Indo schijnt zijn naam te kennen, maar zijn verhalen ? Nu is de man door Wim Willems geclaimd, die doet er zo lyrisch over. Toen ik hem laatst op de TV geïnterviewd zag worden keek ik naar iemand die duidelijk graag in de smaak wilde vallen. “Waduh lui, ik verlang te vomeren” dacht ik nog. Nee ik houd me liever bij die zure W. Somerset Maugham, de korte verhalen die zich in Z.O. Azië afspelen, daar krijg ik nooit genoeg van, zal wel aan de roots van me liggen, die leggen in England.
Goede Morgen Roy, Selamat pagi ook weer van de partij
Jouw vraag kan ik nauwelijks beantwoorden want ik las pas zo’n 10 jaar geleden voor het eerst zijn naam. Het gekke is dat mijn vrouw wel een boekje van hem heeft gelezen, Ik en Bentiet , en dat vond ze heel grappig! Maar ik zal het tzt ok zeker doen, iets van hem lezen..
Ik zag zijn verzameld werk nog voor 90 euro staan op de tweede handse markt in Tilburg, maar dat vond ik wel te veel gevraagd
Daarom heb ik niet gereageerd op de discussie (?) over hem.
Hij zal zeker bepalend zijn voor het leven van indo’s in Nederland en het indo-zijn een plekje in de Nederlandse samenleving hebben gegeven. Daarover zal ik geen moment twijfelen. En assimileren, daarvan ben ik evenmin een voorstander.
.
Ik zou, terzijde, misschien wel jaloers kunnen zijn op zeg, de Molukkers, die hun gehele cultuur naar Nederland overbrachten. Maar wat die indo-cultuur betreft. Een beetje van dit, een beetje van dat? Ik ben ook geen liefhebber van indo-rock, muziek uit Hawai, oude krontjong.
Ik heb eerlijk gezegd daarmee geen affiniteit . Geef mij maar liever een goed stukje Indonesische muziek, emping gepuk uit Salatiga, Bandeng presto. Of een goed stukje psychedelische sixties-garage, post-punk, independent-muziek
Elke indo zijn eigen indo-voorkeur en liefhebberij toch?
Een achterafje: … vind dat jullie Tjalie Robinson n beetje achteruitstellen, hoewel begrijpelijk dat jullie hem niet willen waarderen.
Hij was tenslotte een van de heel weinigen die zijn Indozijn nóói verdoezelde, toen in die bizarre jaren die bruinen steeds in grotere getale naar Holland deed komen. Pindapoepchinezen, indolente mensen in pensions, naar knoflookstinkende bruinen … t kon niet op, doch pak Tjalie heeft door zijn activiteiten direct verzet geboden tegen de assimilatiedwang van de jaren vijftig. Hij was slechts de aanzet om het Indozijn een plek te geven en natuurlijk kennen niet alle Indoos hem …
Doch eenmaal die roots zoekende, en dat zijn er velen en het waarom blijft vooralsnog in nevelen gehuld, kom je vanzelf de naam Tjalie Robinson tegen, samen met Tong Tong (een Indisch tijdschrift, nu de Moesson), de Pasar Malam Besar en hun exotische evenementen. Weinigen kennen Ellen Derks, dé motor achter die gestadige groei van de PMB. Door haar organisatietalent is dat uitgegroeid tot het allergrootste Euraziatische festival van de wereld, dat onlangs de BBC wereldwijd haalde. Tjalie was “slechts” de aanzet daartoe.
Daar komen de meest uiteenlopende takken van de Indowereld, zonder enige schroom om die popiejopie trend voort te zetten. Natuurlijk zijn er anti-PMB groepen ontstaan en dat circus van commercie, geld binnenhalen en andere negatieve feiten een boze gedachte toedragen, maar dat neemt niet weg dat je die lui van de PMB en pak Tjalie niet meer kan wegschrappen van de Indolijst, niet in Europa, niet in Canada, de USA, Australië …
Al, slamat weekend, groet Roy