Indië-herdenking 2012: "Je kind is je dierbaarste bezit."

“Ik heb mijn kinderen maar half verteld wat ik meegemaakt heb.”

3e generatie vergezelt 1e generatie bij de Indië-herdenking '42- '45 ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012
Derde generatie vergezelt eerste generatie bij de Indië-herdenking ’42- ’45 ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012

De Indië-herdenking van dit jaar, waarin stilgestaan is bij het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië, was goed bezocht. Beter dan ik me van de vorige keren kan herinneren. Het viel bovendien op dat er veel meer jongeren aanwezig waren. De herleefde belangstelling voor de periode na de Japanse bezetting in Indonesië is daar beslist debet aan. Dat dit bij de slachtoffers van die periode veel losmaakt, bleek uit een spontaan gesprek dat me kippenvel bezorgde, ondanks de tropische temperaturen.

Fotografie: Tabitha Lemon.

Spiezen
Terwijl de gastvrouw de herdenkingsplechtigheid bij het Indisch monument in Den Haag opent, ontstaat tussen mij en mijn buurvrouw een gesprekje. Mijn buurvrouw woont nu in Voorburg en heeft als kind de bersiap meegemaakt. In 1947 is ze naar Nederland gekomen. “Ja, het staat weer flink in de belangstelling, de Indische geschiedenis. Giste’navond weer. [rillend] Die spiezen, de mensen die daar hingen, ik heb ze zelf gezien als meisje van 6. Mijn moeder heeft ons uit het kamp gehouden. Als de Jap langskwam, hing ze een bordje op de deur waarop stond dat we ziek waren. Daar waren ze als de dood voor, ziek worden. En voor de zekerheid, wij hadden blond haar, legde mammie kussens zelfs over onze hoofden, zodat hij ons niet zag. ”

Derde generatie aanwezig bij Indië-herdenking Den Haag ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012
Derde generatie aanwezig bij Indië-herdenking Den Haag ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012

Rode Kruis
Tijdens de kranslegging door demissionair minister-president Rutte, vertelt de Indische naast mij verder. “Buiten lokte de Jap ons met chocola. Wat doe je als je kind bent hè, in oorlogstijd, en iemand biedt je chocola aan? Oe, wat hebben wij op ons donder gekregen daarvoor. Want onze moeder en haar zus, ze waren zonder hun mannen en als de dood voor de Jap hè, dat ze door de Jap gepakt zouden worden. Pappie zat in het kamp. Toen mijn moeder hoorde dat hij overleden was, was ze er kapot van. Daar stond ze, bij het Rode Kruis, alle boeken en lijsten door te gaan. Totdat ze zijn naam zag. Je blijft hoop houden op goed nieuws.”

Publiek bij de Indië-herdenking, inclusief een pajung van de Stichting Japanse Ereschulden ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012
Publiek bij de Indië-herdenking, inclusief een pajung van de Stichting Japanse Ereschulden ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012

Gescheiden van je moeder
Geboeid luisteren we naar de speech van de 16-jarige VCL-leerling Tonny Staal, die vertelt over hoe hij zich heeft proberen voor te stellen hoe het is om als 16-jarige jongen in die tijd gescheiden te worden van je moeder. De Voorburgse naast mij reageert onmiddellijk: “Mijn broertje en ik hebben niet in het kamp gezeten, maar mijn moeder was als de dood dat zij hem zouden meenemen. Telkens moest hij onder zo’n stok door lopen, om te zien of hij al groot was. Gelukkig was hij steeds nog niet groot genoeg voor het kamp. Wat mijn moeder allemaal niet gedaan heeft om ons buiten het kamp te houden. Je kind is je dierbaarste bezit hoor.” Ik knik, terwijl ik over mijn zwangere buik wrijf en de brok in mijn keel wijt aan de zwangerschapshormonen.

Zonnebloemen op de Indië-herdenking ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012
Zonnebloemen op de Indië-herdenking ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012

Half
Mijn buurvrouw en ik zijn het erover eens dat er opvallend veel jongeren aanwezig zijn. Heeft zij haar kinderen over haar ervaringen verteld, vraag ik haar. Ze slikt. “Half. Ik heb het ze maar half verteld. Mijn kleindochter van 16, die heeft mij gevraagd om mijn verhaal op haar school te vertellen. Op school wilden ze aandacht besteden aan Indonesië en ze hadden niemand. Tja. Voor mijn kleindochter doe ik alles. Dus ik heb mijn ervaring op papier gezet en haar gegeven. Toen ze dat gelezen had, zei ze: ‘Oma, ik hoop dat ik dat nooit hoef mee te maken.’ En ik zei: ‘Ja lieverd, dat hoop ik ook. Dat hoop ik ook.’ ”

Tonny Staal vertelt over gescheiden worden van zijn moeder tijdens de Indië herdenking 2012 Den Haag ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012
Tonny Staal vertelt over gescheiden worden van zijn moeder tijdens de Indië herdenking 2012 Den Haag ©Tabitha Lemon Indisch 3.0 2012

 

Koloniale geschiedenis: Nederlands-Indië

Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu/media/_600/31_Standbeeld_Multatuli.jpg

Opkomst van de Indo in de koloniale tijd (1596 – 1942)

Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu/media/_600/31_Standbeeld_Multatuli.jpg
Standbeeld Multatuli in Amsterdam. Foto: http://entoen.nu

Toen de Portugezen in de 16e eeuw Indië aan de VOC verloren, was de Archipel een versnipperd eilandenrijk. Drie eeuwen later leidde de Nederlandse ethische politiek tot een zelfbewust Indonesië, dat koloniale heerser Nederland verjoeg. Deel 1 van een tweeluik waarin we inzoomen op de koloniale geschiedenis van Nederland in voormalig Nederlands-Indië.

Wellicht ten overvloede: deze – maatschappelijk georiënteerde – bloemlezing van onze koloniale geschiedenis, is langer dan onze andere posts. A.s. vrijdag sluiten we deze historische terugblik af, met aandacht voor de Japanse bezetting tot en met de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Wil jij iets toevoegen aan dit overzicht? Reageer, zodat we samen met jullie een dossier kunnen samenstellen over de koloniale tijd.

Eerste Nederlanders in Indië: de VOC
De VOC (1602-1799) was een handelscompagnie en had als doel zoveel mogelijk geld te verdienen met de internationale handel in specerijen en andere exotische artikelen. Haar dominantie in Indië duurde twee eeuwen en begon in 1596 in Bantam (Java). Via Batavia en op Ambon (Molukken) breidde deze compagnie haar handelsimperium in Indië uit naar de hele archipel, met strategisch gelegen handelsposten op onder meer Java, Sumatra, de Molukken, Celebes (Sulawesi) en de Banda-eilanden. In 1795 ging de VOC failliet en in 1799 vervielen haar bezittingen aan de Republiek der Nederlanden – inclusief Nederlands-Indië.

Ontstaan van de Indo
De VOC-mannen zochten al snel het ‘gezelschap’ van lokale vrouwen op. Zo ontstond een nieuwe bevolkingsgroep: de Indo-Europeanen (in de VOC-tijd mestiezen of sinjo’s genoemd). Officieel was leven met concubines niet toegestaan, in 1620 werd dat bij wet zelfs verboden. Daarom liet de VOC vrouwen overkomen uit Nederland, zonder succes: de overkomst kostte de VOC veel geld, de vrouwen waren slecht bestand tegen de tropen en zij wilden vooral snel met hun echtgenoot repatriëren. In 1630 veranderde de wetgeving, waardoor trouwen met lokale vrouwen de voorkeur kreeg. Die vrouwen wilden tenminste in ‘de oost’ blijven, kinderen uit zulke huwelijken waren beter bestand tegen een leven in Indië en een huwelijk met een lokale vrouw kostte de compagnie niets. Een vrouw laten overkomen uit Holland was voorbehouden aan hoger geplaatst VOC-personeel. Terugkeren met een lokale vrouw naar Holland was verboden.

Lokale vrouwen waren beter bestand tegen leven in de kolonie.

Frans en Brits bestuur
Nederland kreeg Indië in 1799 in handen, maar toch zou het pas in 1824 de kolonie zelfstandig gaan besturen. Nederland was sinds 1795 onder Frans bestuur gekomen. In eerste instantie had de Bataafs-Franse republiek vrij veel zelfstandigheid, maar in 1810 werd de republiek ingelijfd door Frankrijk. In diezelfde periode verloor Nederland Indië aan Engeland: sir Stamford Raffles werd er in 1811 gouverneur-generaal. Pas in 1824 kreeg Nederland haar kolonie volledig in bezit.

Invoering Cultuurstelsel
Na het Britse bestuur, kreeg zelfstandige natie de Republiek der Nederlanden de Indische archipel in handen. Hoe ging zij geld verdienen aan die kolonie? In Indië hield de Republiek de bestuursvorm in stand die de VOC had ingevoerd: een gouvernement, geleid door een gouverneur-generaal (GG).  Gouverneur-generaal Jeroen van den Bosch, die in Indië diverse GG’s geassisteerd had, had een antwoord: de invoering van het – later door Multatuli beklaagde – Cultuurstelsel. Tot die tijd gold het landrentestelsel: lokale boeren waren verplicht 2/5e van hun oogst aan hun koloniale heerser af te staan. Onder het Cultuurstelsel werden zij verplicht 20% van hun grond te gebruiken voor producten voor Nederland. In de praktijk was dit onder dwang vaak meer dan 20% of de beste grond die een boer had. Verder kregen lokale vorsten meer geld als hun gebied Nederland meer opbracht. Het stelsel had uitbuiting en hongersnoden tot gevolg.

Wet op het nederlanderschap van 1892. Afbeelding: http://www.vijfeeuwenmigratie.nl
Wet op het nederlanderschap van 1892. Afbeelding: http://www.vijfeeuwenmigratie.nl

Nieuwe toestroom van Hollanders
Onder het Cultuurstelsel was exploitatie van de kolonie voorbehouden aan de Nederlandse staat, tot woede van veel Nederlandse ondernemers. Zij wilden ook geld kunnen verdienen aan de kolonie. Met de invoering van twee nieuwe wetten (de Agrarische wet en de Suikerwet in 1870) werd particuliere exploitatie van de kolonie mogelijk en zou er tevens een einde komen aan de uitbuiting door lokale vorsten. Deze openstelling van de kolonie leidde tot een toestroom van ondernemende Hollanders en andere Europeanen. Dit keer waren het veelal vrijgezelle mannen of getrouwde stellen die al dan niet met hun gezin naar Indië verhuisden: een heel ander volk dan de militairen en zeemannen die in de VOC-tijd naar Indië kwamen.

Koloniale bevolking
De koloniale bevolking van Indië bestond inmiddels uit gouvernementsambtenaren, particuliere plantagehouders en militairen. De oorspronkelijke inwoners van de archipel hadden hun eigen vorstendommen, werkten op het land of als bediende voor de koloniale bevolking. Nog steeds werden er Indo-Europese kinderen geboren, vaak uit de heimelijke ‘ontmoetingen’ tussen een Europeaan en een lokale vrouw. De Indo-Europeanen die niet door hun Europese vaders teruggestuurd waren naar de kampong, groeiden in de koloniale domeinen op als tussengroep. Als zij geluk hadden, waren zij erkend door hun vader en hadden zij de status van “gelijkgesteld aan een Europeaan.”

Als zij geluk hadden, waren zij erkend door hun vader.

De ‘gelijkstelling’ van de Indo-Europeanen in 1854
In 1854 zorgde de gelijkstelling ervoor dat de samenleving volgens een hiërarchisch model ingedeeld werd, dat een keerpunt betekende voor de Indo-Europeanen. De samenleving werd hiërarchisch ingedeeld in (1) Europeanen, (2) Vreemde Oosterlingen en (3) Inlanders. Elke groep had eigen juridische rechten en plichten. Het belang van deze indeling was dat Indo-Europeanen een juridisch gelijkwaardige positie kregen aan volbloed Europeanen: totoks. In 1892 werd hun positie bevestigd in de Wet op het Nederlanderschap. Dit gold overigens alleen voor Indo’s die erkend waren door hun Europese vader: was hij niet erkend, dan kreeg hij de status van Inlander.

Voorkeurspositie
De ‘gelijkgestelde’ Indo-Europeanen hadden een voorkeur voor werk als “klerk” om te onderstrepen dat zij een status met meer rechten dan de oorspronkelijke bevolking. Denk daarbij aan banen als ambtenaar en administrateur op een plantage. Andere banen voor Indo’s waren onderwijzer en militair (waarbij iemand natuurlijk liever een officier was dan een soldaat). In eerste instantie gaf de volbloed Europese elite (de totoks) deze groep ook een voorkeurspositie als het ging om de invulling van dergelijke posities. Totdat de ethische politiek ingevoerd werd.

Ethische politiek: de inheemse bevolking verheffen en beschermen

Een Ereschuld: invoering ethische politiek
Rond de eeuwwisseling deed de ethische politiek (ook wel voogdijpolitiek) zijn intrede in Nederlands-Indië, mede ingegeven door Multatuli’s Max Havelaar. In 1901 kondigde koningin Wilhelmina aan dat Nederland een Ereschuld had en ‘als Christelijke Mogendheid’ de taak had de lokale inwoners te ‘verheffen’ en haar te beschermen tegen willekeur van de inheemse adel. De ethische politiek had als gevolg dat de inheemse bevolking goed onderwijs kon volgen en op den duur aanspraak maakte op de lagere ambtelijke banen, tegen een eerlijk loon (het unificatiebeginsel). Tevens was het voornemen van de Nederlandse regering om van Nederlands-Indië een moderne staat te maken, onder leiding van Nederland.

Achtergestelde Indo-Europeanen
De door de ethische politiek verleende voorrang aan de inheemse bevolking betekende dat Indo-Europeanen hun banen verloren. Zij moesten aanzien hoe zij, ondanks hun Europese status, opeens gelijkgesteld werden aan de lokale bevolking: zij kwamen door het eerder genoemde unificatiebeginsel op hetzelfde loonpeil als de ‘inheemse’ klerk. Staffuncties waren niet toegankelijk voor Indo-Europeanen, – hiervoor was een universitaire opleiding vereist. Alleen totoks en, door de ethische politiek, leden van de inheemse bevolking konden die volgen. Door deze ‘indianisatie’ en sociale achterstelling door de totoks voelen Indo-Europeanen zich tussen 1900 en 1920 bedreigd in hun bestaan.

Vlnr: Sjahrir, Soekarno en Hatta. Foto: politik.kompasiana.com
Van links naar rechts: Sjahrir, Soekarno en Hatta. Foto: politik.kompasiana.com

Hoog opgeleid, maar geen macht
Onderdeel van de ethische politiek was de associatiegedachte: de inheemse bevolking zou Westerse normen en waarden leren, zodat op termijn een ‘multiraciale bevolkingsgroep zou ontstaan die Indië zou gaan besturen.’ Daarom mochten enkele volbloed Indonesiërs een universitaire opleiding volgen in Nederland, onder wie de latere nationalisten Mohammed Hatta en Soetan Sjahrir. Een derde naam die in deze alinea niet mag ontbreken, is die van Soekarno (die geen voornaam had). Hij kreeg toegang tot de Hogeschool van Bandung, waar hij opgeleid werd tot ingenieur. Zo ontstond er een ‘inheemse’ hoogopgeleide elite, die het westerse gedachtegoed beheerste, maar in Indië op bestuurlijk niveau niets wezenlijks mocht uitvoeren.

Telkens veranderende wetgeving voor Indo-Europeanen

Inheems verzet tegen de elites
Alle hoge posities bleven voorbehouden aan Nederlanders, aangezien op deze posities de Nederlandse staat vertegenwoordigd werd. Daarmee had de associatiegedachte de grondslag gelegd voor de nationaliseringbeweging. De moderne inheemse elite ontwikkelde een weerzin tegen de koloniale overheersing, waardoor de onderlinge saamhorigheid toenam. Versterkt door de opkomst van de islam, voelden Javanen zich niet langer alleen Javanen. Steeds meer voelden zij zich Indonesiër. Deze nationalisten gingen zich tevens afzetten tegen de traditionele eigen elite, die minder verlichte denkbeelden had en uit eigen belang samenwerkte met de Nederlanders.

Dominique Berretty. "Mediatycoon" in Indie. Foto: http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn6/berretty
Dominique Berretty. Selfmade “Mediatycoon” in Indie. Foto: http://www.historici.nl

Indo-Europeanen verenigden zich
Als reactie op deze ontwikkelingen, ontstond behoefte aan een belangenbehartigende organisatie voor Indo-Europeanen: het Indo-Europees Verbond (IEV). Het IEV was de eerste organisatie waarin Indo-Europeanen zich met succes verenigden. In tegenstelling tot eerdere initiatieven, wist het verbond de meerderheid van de Indo-Europese gemeenschap (van elite tot klerk) aan zich te binden; zij namen geen beginselprogramma op. Totoks reageerden geïrriteerd: zij zagen het IEV als blijk van jaloezie van Indo-Europeanen – maatschappelijk succes hing niet af van huidskleur, maar van de eigen inzet. Uit de koloniale sociale geschiedenis valt op te maken dat dit waar was, maar waar de totoks aan voorbij gingen, was dat Indo-Europeanen telkens weer te maken kregen met continu veranderende wetgeving. Iets dat exemplarisch zou zijn voor de mate waarin deze ‘tussengroep’ afhankelijk was – en is – van de politieke wind in Den Haag.

Hyper Nederlandse Indo-Europeanen
In de jaren ’20 voelden Indo-Europeanen zich geroepen om zich te onderscheiden van de inheemse bevolking. Ze gingen zich hyper-Nederlands gedragen en de Nederlandse overheid stimuleerde deze Nederlandsgezindheid: een sterke steun voor Nederland bij de Indo-Europeanen versterkte het koloniale gezag. Het echte Indische leven bleef, maar verhuisde naar binnen. Ondanks de maatregelen van de Nederlandse regering om het Indonesische nationalisme in te dammen, was het niet weg te krijgen uit Nederlands-Indië.

Pleidooi voor Nederlands-Indië als zelfstandig onderdeel Koninkrijk

Het einde van de kolonie
In de crisisjaren van 1930 nam de roep om zelfstandigheid toe, variërend van zelfstandig binnen het Koninkrijk der Nederland tot volledige onafhankelijkheid. Soekarno, Hatta en Sjahrir kregen steeds meer steun van de lager geplaatste autochtone bevolking. In 1936 diende een vertegenwoordiger van de inheemse bevolking, Soetardjo, in de Volksraad een petitie in. Daarin verzocht hij – tevergeefs – de Nederlandse regering om Nederlands-Indië een zelfstandige plek in het Koninkrijk te geven.  Aan de vooravond de Tweede Wereldoorlog was de spanning in Nederlands-Indië hoog opgelopen. Meer daarover lees je op 17 augustus a.s.

Heb jij aanvullingen op deze bloemlezing van de Nederlandse koloniale bezetting tot 1942? Laat je horen en reageer. 


Geraadpleegde bronnen

  • www.voc-kenniscentrum.nl
  • www.parlement.com
  • Wikipedia
  • www.vijfeeuwenmigratie.nl
  • H. van den Doel Afscheid van Indië. De val van het Nederlandse imperium in Azië (Amsterdam 2001).
  • H. Meijer In Indië geworteld. De twintigste eeuw (Amsterdam 2004).

 

Weg uit Indië: avontuurlijk jongensboek

Weg uit Indie Hans Vervoort

Weg uit Indie Hans VervoortDe kwetsbaarheid van een kind in oorlogstijd

Weg uit Indië van Hans Vervoort is een jeugdboek over Indië. Ook al heb ik er enkele kanttekeningen bij, het is een aanrader. Voor kinderen, jongeren én voor volwassenen. In 212 pagina’s vertelt Vervoort vlot en boeiend over het tempo doeloe-leven in Indië, de kamptijd, de bersiap, de overtocht van Indonesië naar Nederland en over leren leven in Nederland.

Hans en Sonja zijn twee in Indië geboren kinderen, die elkaar ontmoeten als ze met hun moeders op transport gesteld worden naar een van de vrouweninterneringskampen op Java. De vader van Hans was eerder al opgeroepen als militair, de vader van Sonja is spoorloos. De twee kinderen doorstaan de Japanse bezetting samen vanachter het gedek. Door een ongelukkige speling van het lot komt Hans er alleen voor te staan en neemt de moeder van Sonja, tante Aal, hem op als broertje van Sonja. Tante Aal, Sonja en Hans verlaten het kamp tijdens de bersiap en gaan vanuit Surabaya aan boord van een van de repatriëringsschepen naar Nederland. In Nederland aangekomen krijgt het samengestelde gezin, naast een hoop koude rillingen, een onverwacht fraaie verrassing.

Vooropgesteld: ik ben geen jongen of een lezer van 10 jaar.  Dat gezegd hebbende, durf ik het toch aan om te zeggen dat Weg uit Indië een fijn boek is. Wat Weg uit Indië zo aantrekkelijk maakt, is om te beginnen de toegankelijke schrijfstijl en het vlotte tempo.  Daarnaast legt Vervoort alles aan zijn lezers uit: van sapoelidi tot mandibak. Daarmee neemt de auteur lezers mee in de cultuur van Nederlands-Indië, zonder paternalistisch te worden. Tot slot, wat dit boek zo boeiend maakt voor volwassen lezers, is dat we het verhaal over bezetting/bersiap/repatriëring door de ogen van een kind lezen. Zodoende maakt Vervoort de kwetsbaarheid van kinderen in oorlogstijd zichtbaar, een thema dat nog steeds actueel is, helaas. Ik voelde me geraakt door die kwetsbaarheid en door het verdriet om het uiteenvallen van gezinnen.

Waar ik me tijdens het lezen het meest over heb verbaasd, is dat 2/3e van het boek over het leven in kamp gaat. De beschrijving op de achterflap wekt een andere verwachting: “Iedereen vlucht en ook Hans en Sonja moeten weg uit Indië.  Een gevaarlijke tocht begint. Zal het ze lukken?” Maar goed. Dat is misschien wel bijzaak. Verder vind ik sommige passages te kinderlijk geschreven en andere weer te confronterend voor kinderen van 10 jaar. Las ik over martelingen toen ik 10 jaar oud was? Ik weet het niet meer. Zei ik nog ‘broembroem’? Ach, ook toen al was ik geen jongen van 10.

Weg Uit Indië. Hans Vervoort. Uitgeverij Conserve. Schoorl, 2012. 17,95 euro. Bestellen via de website van Hans Vervoort levert je een aardig voordeeltje op.

Hun verdriet is niet van mij

Charlie Heystek Japan Japanse bezetting header

De Japanse bezetting. Als kind hoorde ik de verhalen over die tijd uit eerste hand. Mijn grootvader was oud-KNILmilitair en had de kampen in Indië overleefd. Mijn grootmoeder was tijdens de oorlog buiten de kampen gebleven, maar had de nodige ervaringen met Japanners gehad. Hun verhalen maakten me woedend op de Japanners.

Charlie met grootvader
Charlie met haar grootvader

Mijn opa kon in geuren en kleuren beschrijven wat hij op zee had zien gebeuren toen hij Java verdedigde, hoe hij de Changi-gevangenis wist te overleven, hoe de mensen eraan toe waren met wie hij de vliegveld in Singapore aanlegde. Ondanks dat mijn grootvader zonder moeite in de Mazda van mijn ouders stapte en mij altijd zei objectief te blijven over het verleden, voelde ik haat tegenover Japanners. Ik was kwaad op ze om wat ze mijn grootouders hadden aangedaan; de pijn, ellende en verdriet die ze hen hadden bezorgd. Misschien werd ik zelfs wel extra boos omdat mijn grootvader dit niet was.

De geschiedenislessen op school over de Tweede Wereldoorlog wakkerden mijn frustratie, en daarmee mijn haat, nog meer aan. De Oorlog werd jaarlijks behandeld en steevast bleef de oorlog in Azië vrijwel onbesproken. Tijdens de lessen riep ik standaard dat ook ik mijn fiets terug wilde om vervolgens de aandacht op de oorlog in voormalig Nederlands-Indië te richten.

De aandacht voor de Duitse bezetting stond in schril contrast met het aantal grootouders van medeleerlingen dat daar direct mee in aanraking was gekomen: vrijwel nul. De oorlog van mijn grootvader, die nota bene de krijgsgevangenekampen had overleefd, kreeg hooguit één alinea in het boek. Sterker nog, hooguit honderd woorden waren gewijd aan de gruwelijkheden in de Jappenkampen. En vaak was dat al veel aandacht: meestal was het een simpele opsomming van feiten.

Ik begreep niet waar mijn grootvader de kracht vandaan haalde om zo sterk en zonder haat door het leven te stappen.  Nadat we samen The Battle of Midway hadden gekeken, begreep ik het nog minder. Tijdens het kijken van de film had mijn opa mooie, spannende en leuke herinneringen opgehaald aan de oorlog, maar ik vermoed dat die herinneringen ook zijn angst uit de oorlog naar boven gehaald heeft. Want die nacht schreeuwde hij me wakker; hij zag Japanners op het behang.

Na die bewuste nacht begon ik na te denken over mijn eigen haat. Ik vroeg me af waar die haat dan vandaan kwam, want het was duidelijk niet mijn grootvader die me die had aangepraat. Ik concludeerde uiteindelijk dat mijn haat er was omdat ik het gevoel had dat ik de Japanners móest haten; uit loyaliteit naar mijn familie.

Een jaar of twee na deze avond met mijn grootvader ging ik voor het cultuur- en kunstvak op school naar een concert van Yamato, The Drummers of Japan. Een avond lang keek ik naar vijftien Japanners met enorme trommels om hun nek, terwijl ze van top tot teen bezweet waren en mij met een warme glimlach toekeken.  Met wrok was ik naar de voorstelling gegaan, eenmaal in de zaal werd ik compleet blanco. Voor het eerst zag ik Japanners gewoon als mensen en niet als de vijanden van mijn familie.

Niet lang na dit concert kreeg de kanker, waar mijn grootvader al dertien jaar aan leed, definitief grip op hem en was hij voorgoed aan Nederland gebonden. Daarvoor had hij altijd de hele wereld over gereisd en had ik hem weinig gezien. Tijdens zijn ziekbed zag ik hem vaker dan ooit en bouwden we een sterke band op. Gek genoeg hebben we het nooit meer over de oorlog gehad.

Mijn haat jegens Japanners werd minder naarmate ik mijn opa beter leerde kennen en toen hij de dag voor de trouwdag van mijn ouders overleed, kwam hij even gedag zeggen, voordat hij de wereld verliet. Ik was er stuk van, maar met het verdriet van het overlijden van mijn opa dat ik langzaam losliet, liet ik ook de haat jegens Japanners steeds meer varen.

Ik besefte me dat ik geen recht heb op de haat, het verdriet, de angst en de pijn van mijn grootouders. Zeker niet als mijn opa dat zelf nooit heeft willen voelen. Ik ga nog jaarlijks met veel plezier naar de concerten van Yamato en ik ben zelfs een keer de artiestenvoyer ingeslopen om in het Japans om handtekeningen te vragen. En toen ik in mei 2006, nog geen jaar na het overlijden van mijn grootvader, het Mutual Understanding Programme van de Japanse overheid ontdekte, dacht ik: ‘Zo opa, dat gaan wij eens even doen.’

Benieuwd naar de ervaringen van Charlie in Japan? Lees dan de Moesson van deze maand.

Charlie tijdens haar reis in Japan
Charlie tijdens haar reis in Japan

Diederik van Vleuten: verfrissend en oprecht

Daar werd wat groots verricht. Afbeelding: www.diederikvanvleuten.nl

Eindelijk: met respect en humor vertellen over Indië

De aankondiging op de website van Diederik van Vleuten (bekend van o.a. tv) liegt er niet om: “Wegens grote belangstelling wordt ‘Daar werd wat groots verricht’ in 2012 hernomen. In de periode januari tot en met maart volgt er een extra tournee.” Na het zien van de voorstelling in een uitverkochte Rijswijkse Schouwburg, ben ik daar blij om: iedereen in Nederland zou dit stuk moeten zien, Indisch of niet.

Diederik van Vleuten vertelde tijdens de Indië-herdenking in 2008 al over de memoires van Jan van Vleuten, zijn oudoom die de Japanse bezetting heeft meegemaakt. Van Vleuten stond toen nog aan de vooravond van ‘Daar werd wat groots verricht’ (DWWGV). En, ik zal eerlijk zijn, toen ik hem deze plannen hoorde aankondigen, dacht ik ‘Waarom moet een Nederlander dit verhaal nou weer vertellen? Dan trekken zij wéér alles naar zich toe, het verhaal van de Indo in de kampen mag onderhand wel eens verteld worden, die groep is al onzichtbaar genoeg.’  Inmiddels zeg ik: ‘I stand corrected’. Dit ís het verhaal van veel van onze grootouders, verteld op een eerlijke, respectvolle manier zonder verwijten.

Op Kerstavond 1982 gaf oudoom Jan het gezin Van Vleuten zijn memoires: vier cahiers over zijn leven in Indië. In de voorstelling van twee keer 67 minuten én een pauze (‘Oom Jan was een ouderwetse man, en ouderwetse mannen verdienen een ouderwetse pauze. O nee. Dat zeg ik niet goed, oom Jan was niet ouderwets, hij was uit een andere tijd.’) namVleuten de -bomvolle- zaal door die memoires mee. Jan van Vleuten is als zoon van een Hollandse tuan besar geboren in Indië, opgegroeid in Nederland (‘zijn ouders waren bang dat hij zou verindischen, hij sprak op zijn vierde beter Maleis dan Nederlands”) en in de jaren ’30 weer teruggekeerd naar zijn ‘land van herkomst’, heeft de archipel na de bezetting als evacué verlaten, is teruggegaan en heeft uiteindelijk, net als al die andere repatrianten, Indonesië in de jaren vijftig definitief verlaten.

Wat Van Vleuten’s performance onderscheidt van eerdere producties (zoals de film Het jaar 2602 en boeken van Hella Haasse, Van Dis, Kousbroek en Brouwers) is zijn humor, het respect voor de keuzes van die generatie (‘oom Jan was geboren in 1906’) en de volledigheid van het verhaal. De cabaretier weet in DWWGV humor feilloos in te zetten. Om geheugensteuntjes in het verhaal in te bouwen zonder langdradig te worden. Om moeilijke momenten te verluchtigen. En om oordelen uit te spreken zonder dat belerende toontje (‘Ja, dat koloniale systeem was natuurlijk hartstikke fout. Maar als ik soms kijk naar de afbeelding van het landhuis van mijn overgrootvader tuan besar Panplieten denk ik, dat kolonialisme heeft niet voor niets 300 jaar stand gehouden!’).

Humor gebruikt hij ook om – herkenbare – verbazing respectvol uit te dragen. Want het respect dat de cabaretier toont aan voor de keuzes van de generatie van onze grootouders, komt oprecht en integer over. Van Vleuten verstaat de kunst om onderscheid te maken tussen de liefde die hij voor de persoon heeft gevoeld en afstand die hij voelt tot de denkbeelden van die persoon. Zo benadrukt de performer dat het niet zijn verhaal is, maar dat van zijn oom. En vertelt hij hoe gek hij was op zijn oma Maggie, die Diederik alleen wel toefluisterde, toen hij met een donker Indisch vriendinnetje thuiskwam, dat zij het landgoed wel in blanke handen wilde houden.

Tot slot: die volledigheid van het verhaal. De buitenkampers. De treinreizigers die in 1945 op Java door peloppers vermoord werden. De aandacht voor de aankomst van repatrianten die na een aantal schepen verwaterde. Zomaar een paar voorbeelden waaruit ik concludeerde dat de cabaretier zich echt verdiept heeft in de Indische geschiedenis en heeft geluisterd naar de commentaren die hij kreeg bij het schrijven en de try-outs.

Mijn vriend en ik, beiden opgegroeid in gemengde Indo-totokfamilies, waren naar deze voorstelling gegaan omdat mijn vader (zoon van een totok en een Indo-Europese, net als mijn vriend) de kaartjes kado had gedaan. Gelukkig maar, gezien mijn wantrouwen was ik er waarschijnlijk niet uit mezelf heengegaan: ik heb mijn portie Adriaan van Dissen en Hella Haasse’s van deze wereld wel gehad.
Diederik van Vleuten laat met ‘Daar werd wat groots verricht’ een nieuw en fris geluid horen in Indisch Nederland: dat van de zichzelf relativerende Hollander die met respect, humor en oprechte interesse de Indische – complexe – geschiedenis toegankelijk maakt voor een breed publiek. Gaat dat zien, gaat dat zien.
Diederik van Vleuten. Daar werd wat groots verricht. Sinds 201o in theaters, nog te zien tot en met mei 2011. Reprise:  januari t/m maart 2012. Nieuwe speeldata in mei 2011 bekend.

Achter de kawat – Charles Burki

Over de Japanse bezetting

Veel Indische jongeren die ik spreek, hebben vragen over de Japanse bezetting die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Vaak krijgen zij er niet meer over te horen dan “Het was heel erg.” Gelukkig zijn op enkele plekken in Nederland antwoorden te vinden. Museum Bronbeek biedt de tentoonstelling Het verhaal van Indië, het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft een speciale afdeling Nederlands-Indië. Voor jongeren die liever eerst thuis een en ander doorbladeren, is er het bijzondere en toegankelijke boek Achter de kawat van Charles Burki.

Herziene uitgave van de originele editie (1977)

Charles Burki (1909 – 1994), van als ik goed lees puur Hollandse komaf, werd in 1942 als krijgsgevangene van de Japanners in Bandung geïnterneerd. Burki was opgeleid als tekenaar en heeft het dagelijkse leven in het kamp in beeld te brengen. “De tekeningen die hij in het kamp in Bandung maakte, lagen vier jaar lang midden in de doorgang van een poortje begraven. Ze waren verpakt in hospitaal doek, vervolgens in een zinken bus, en dat weer in een teakhouten kist. Iedereen liep er overheen. In 1946 kreeg hij dankzij een oud-medegevangene zijn tekeningen weer in bezit,” aldus het Museon.

Het Haagse Museon, dat een collectie heeft over Nederlanders in Japanse kampen,  heeft de tekeningen opnieuw uitgegeven in een heruitgave van Achter de kawat, aangevuld met een verslag dat Burki na zijn tijd als krijgsgevangene schreef. Op 24 oktober 2010 sloot het Museon de tijdelijke expositie van de originele tekeningen. Het boek is een aanrader voor jongeren en andere (Indische) Nederlanders die een beeld willen krijgen van dat wat hun grootouders ze niet konden vertellen.

Het zal misschien het oog van de tekenaar zijn, waaraan wij als lezer de vele waardevolle details in zowel de tekeningen als het laagdrempelige, persoonlijke verslag te danken hebben. De heldere tekeningen zijn soms confronterend, dan weer gelardeerd met typisch Indische humor. De scherpte en de details ervan maken van een lezer een ooggetuige van het leven van dag tot dag in een van vele Japanse kampen in Indonesië. Ondanks dat een van mijn grootvaders mij wél een en ander verteld heeft, heeft het werk van Burki die verhalen verrijkt.

Hoe leefden mensen in Japanse kampen, bijvoorbeeld. Opgegroeid met verhalen over de Tweede Wereldoorlog in West-Europa, was mijn beeld van kampen bepaald door Auschwitz  en andere concentratiekampen. Dankzij Burki’s schetsen heb ik nu een indruk van hoe het in ‘de Oost’ was. Verder ben ik blij dat ik van Burki af en toe ook mocht lachen om wat er in het kamp gebeurde. Bijvoorbeeld in de spotprent van de jonkheer die ook in het kamp nog zijn eigen wagen had. De strip over het verspreiden van roddels in het kamp. Of het weekmenu (“Maandag: rijst met soep. Dinsdag: soep met rijst. Woensdag: rijstsoep…”).

Tekening uit Achter de kawat.(c) Erven Charles Burki

De humor staat in ontwapenend contrast met de eerlijkheid en directheid waarmee de tekenaar laat zien hoe geëxecuteerde gevangenen aan de kawat hangen, of een overlevende van Nagasaki in beeld brengt die zijn brandwonden schoongevroten ziet worden door maden. Humor is een manier om te overleven, begrijp ik. Om de boel niet al te serieus te nemen, zelfs wanneer dagelijks mensen voor je ogen overlijden.

Achter de kawat is niet alleen wonderbaarlijk vanwege de goed bewaarde en heldere tekeningen. Charles Burki is na het kamp (nog) twee keer aan de dood ontsnapt: na een torpedering van het schip dat hem op transport naar Japan had gezet, heeft hij tien dagen in open zee rondgedobberd. En in Japan heeft hij het bombardement van Nagasaki zien gebeuren en overleefd. Bovendien is de ex-krijgsgevangene  ook nog eens 85 jaar oud geworden.

Hoewel er in Azië verschillende Jappenkampen waren, waarvan het regime onder meer afhing van het kamphoofd, en er verschillende soorten gevangenen bestonden, geeft Achter de kawat Indische jongeren een kijkje ‘in de keuken’ waar geen geschiedenisboek tegenop kan.

p.s. Het is wat uit de buurt, maar mocht je ooit in Singapore zijn, ga dan eens naar het – kleine maar aangrijpende – Changi War Museum, over de Tweede Wereldoorlog in Azië.

Verslag van 15 augustus 2008: een eerbetoon aan Indische helden

Den Haag, 17 augustus 2008
door Kirsten Vos

Afgelopen vrijdag was ik met vele anderen zoals ‘Paatje’ Phefferkorn, minister-president Balkenende en Marscha Holman, bij de Waterpartij in Den Haag om te herdenken dat 63 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië eindigde. De herdenking was dit jaar integer, persoonlijk en indringend, dankzij de voordracht van Kick Stockhuyzen en een korte declamatie van Sanne van der Velde. Uit een aantal korte reacties van aanwezigen op de herdenking bleek echter dat Indische overlevenden de bersiap, de Indonesische vrijheidsstrijd, onlosmakelijk blijven verbinden met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945.

Het monument
Het monument

Indische generaties herdenken
Ferry van Dam, tweede generatie Indo, is er met zijn moeder en twee dochters: “Ik ben er elk jaar. Ik vind het belangrijk om te herdenken.” Op zijn arm heeft Ferry een tatoeage. “Ik heb twee familiewapens gecombineerd en de namen van mijn dochters erin laten zetten, Faya en Dewi. Ik kwam voor het eerst op dat idee toen ik in 2006 in Indonesië was.” Harry van Kleef, tweede generatie, en Jeffrey Rozema, derde generatie, staan naast ‘Paatje’ Phefferkorn en laten tijdens de herdenking de Indo-Melati vlag wapperen. Paatje zelf vlagt alleen met de Indo-Melati vlag: “De Nederlandse vlag is nationalistisch en nationalisme leidt alleen maar tot oorlog.” Van Kleef: “Wij steunen Paatje in zijn streven. Daarnaast ben ik hier voor mijn vader. Hij zat in kamp Maumere. De oorlog brak uit toen ik drie jaar was. Ik heb mijn vader nooit gezien.” Rozema: “De herdenking is terecht. Zo veel mensen hebben zo veel goeds gedaan, het is goed dat ze vandaag aandacht krijgen. Ik ben hier voor mijn opa. Hij is mijn held. Hij zat in Japan als krijgsgevangene. Als we samen gaan wandelen, vertelt hij me wel eens verhalen. Hij vertelt natuurlijk niet alles. Dat begrijp ik wel.”

Saluut
Saluut

De stille helden van Kick Stockhuyzen
In een krachtige uiteenzetting vertelt voormalig acteur Kick Stockhuyzen over zijn stille helden. Stockhuyzen: “In het jongenskamp van het 15e bataljon was het verboden om een potlood of papier te hebben, beschreven of onbeschreven. Kennisoverdracht was verboden. Op elke bijeenkomst stond een straf en die was dat je gevangene werd van de Kempei Tai, de Japanse militaire politie. Daar, wist je, zouden marteling en onthoofding je lot zijn. Toch waren er in het kamp mannen die hun leven riskeerden om ons jongens te onderwijzen. Ik noem hen de stille helden, want hun namen heb ik nooit gekend.” Elk van hen is hij uit het oog verloren, ze verdwenen uit de kampen en hij heeft ze nooit meer gezien: de wiskundeleraar die les gaf door in het zand wiskundige figuren te tekenen. De dominee die prachtige verhalen vertelde over de Russische revolutie en de Boerenopstand in Zuid-Afrika. En de ongelukkige tolk, die Japans taal- en letterkunde gestudeerd had en dagelijks een aframmeling kreeg omdat zijn vertalingen onder de maat zouden zijn. De gehele speech van Stockhuyzen is online te lezen.

Ken je geschiedenis
“De geschiedenis over wat er in al die kampen gebeurd is moet verteld worden,” besluit Stockhuyzen, “want het ‘Uitverkoren Volk’, Japan, weigert structureel zijn oorlogsmisdaden toe te geven: zelfverheerlijking gaat niet samen met boetedoening. Daarom is het belangrijk dat wij blijven herdenken.” Die mening hoor ik terug als ik enkele aanwezigen om reactie vraag, zoals ‘Paatje’ Phefferkorn: “Leven zonder geschiedenis is als leven zonder een geheugen. Ken je je geschiedenis niet, dan zal die zich herhalen. Ik was uitgemergeld toen ik bevrijd werd, ik woog 21 kilo. En toch, hoe vreselijk die Japanse bezetting ook was, de oorlog die daarop volgde was véél erger.”

Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt
Bescheiden vlaggenvertoon in de Haagsche Bomenbuurt

Treintransporten
Ook Ton Hens, die opeenvolgend in de kampen Tjihapit, Adek en Tjideng gezeten heeft, benadrukt het belang van geschiedenis en legt direct verbinding met de bersiap. “Mensen weten dat niet, maar treintransporten waren er ook in Indië. Ik durf nog steeds de trein niet in. Daarin werden we vervoerd door de Japanners toen we naar de Indische kampen moesten, waar we beschermd zouden worden tegen de peloppers. Eén transport van Semarang naar Jakarta is volledig uitgemoord door de peloppers. Mijn kinderen hebben geen interesse in dit soort verhalen. Toch zou het overgedragen moeten worden.”

Meer zien?
Het NOS Journaal heeft een mooie samenvatting gemaakt van de herdenking, met daarin aandacht voor Kick Stockhuyzen en Diederik van Vleuten. Deze is online te bekijken. Op Indisch4ever vind je een beeldverslag van de herdenking en de voordracht van Kick Stockhuyzen.

‘Indische bloemen’ in korzelig maar gedetailleerd Verzetsmuseum

Zet 20 Indo’s in een museum in Amsterdam, vermeng het geheel met de energie van ‘Paatje’ Phefferkorn en het verhaal van de Japanse bezetting en je krijgt een verrassend gemeleerde middag, gepeperd door het verhaal van elke aanwezige.

Afgelopen zaterdag waren circa 20 leden van de Nederlands-Indië-hyves bij elkaar gekomen om het Verzetsmuseum in Amsterdam te bezoeken, dat een permanente tentoonstelling over de Japanse bezetting had. Ik was een van hen en was verrast door de gedetailleerdheid van de inhoud van de expo.

Het begon alleen niet echt hoopvol. Een vertegenwoordiger van het museum was in allerijl naar beneden komen rennen, waarschijnlijk op aangeven van de dames van de receptie. In eerste instantie dacht ik, goh, wat slim van ze om hier zo op in te spelen, om ons welkom te heten. Ik werd snel uit de droom geholpen. De persoon (uiterst rechts op de foto) stelde zich niet voor, zei dat hij liever eerder had geweten dat we kwamen en verwelkomde ons met de volgende warme woorden:
– Grote tassen in de kluisjes.
– Liever niet de mobieltjes gebruiken.
– Fotograferen is toegestaan, maar zonder flits.

Ik begrijp nog steeds niet wat die man op dat bewuste moment gedacht moet hebben:
1. “Wat leuk, Indische mensen, ik ben blij dat ook hun verleden een plek in ons museum heeft. Ik zal ze eens een warm welkom geven.”
2. “Help. Indo’s!”
3. “Help. Marokkanen!”
In geval 1. heeft de man gewoon slecht ontwikkelde sociale vaardigheden. En in geval 2 en 3 ook, eigenlijk.

Na dit mislukte begin was ik redelijk sceptisch over de tentoonstelling. Die scepsis werd in eerste instantie bewaarheid. In Nederlands-Indië leefden namelijk volgens het museum “60.000 Nederlanders” (totoks) en “200.000 Indische Nederlanders” (Indo’s). Degenen die op de hoogte zijn van de discussie over deze twee begrippen, weten dat deze woordkeuze op zijn zachtst gezegd dubieus is. Gelukkig kreeg ik bij de tentoonstelling als geheel wél het gevoel dat de samenstellers er zorg aan hadden besteed.

Ten eerste was ik onder de indruk van de gedetailleerdheid van de expositie. Hoewel die slechts een klein deel van het museum beslaat, staat er namelijk ontzettend veel. Een van de leden, Dennis, was blij verrast dat het legeronderdeel waar zijn grootvader deel van uitgemaakt had, met naam en toenaam genoemd werd. “Het is het enige onderdeel dat zich nooit heeft overgegeven”, vertelde hij trots.

Ten tweede was de inhoud van de expositie met smaak gekozen. Smaak lijkt hier ongepast als criterium, maar het waren de vele egodocumenten (zoals dagboekfragmenten en persoonlijke brieven) en audio- en videofragmenten die het kille oorlogsverhaal menselijk maakten.

Tot slot stond de expositie in het hart van het museum. Toegegeven, de tentoonstelling is pas later in het museum ondergebracht, waardoor het midden van de zaal waarschijnlijk de enige resterende ruimte was voor de oorlog in Indië. Maar het maakte indruk op mij dat ik onmiddellijk oog in oog stond met “de koloniale tijd”, toen ik de expositieruimte betrad: de Japanse bezetting is niet weggemoffeld in een hoekje, ze staat centraal in het Verzetsmuseum.

Heb ik dan helemaal geen inhoudelijke kritiek? Nee. Niet direct. Ja, de expositie lijkt me vrij ontoegankelijk voor rolstoelgebruikers en je moet geen last hebben van claustrofobie. Maar goed, dat zijn geen fundamentele bezwaren. Wel heb ik een vraag die ik aan andere bezoekers wil voorleggen. Mij viel het namelijk op dat de informatie over de politionele acties en de overdracht in december ’49 weggestopt was in een hoekje, waardoor je er vrij snel voorbij kon lopen. Was ik de enige die daar haar wenkbrauwen over fronste?

Hoewel het merendeel van mijn blog tot nu toe gaat over de tentoonstelling zelf, heb ik net zoveel voldoening gehaald uit de gesprekken met de andere aanwezigen, niet in de minste plaats uit de peptalk van ‘Paatje’, die aan het begrip charmeur weer een nieuwe lading gaf.

no nameIn een vlammend betoog legde Phefferkorn uit waarom de Melati in het hart van de door hem ontworpen Indo-vlag stond. Die vlag heeft hij opgevuld “met een bloem, de melati, een geurige bloem die bekend staat vanwege haar geur en charme.” Waarom? De melati symboliseert de Indische vrouw, die het tijdens de oorlog buiten de kampen het zwaarst had. “Wij mannen kregen wel eten. Maar petje af voor onze vrouwen, die er het meeste slachtoffer van waren!”

‘Paatje’ Phefferkorn von Offenbach, zoals hij zichzelf volledigerwijs voorstelde, drukte de aanwezige vrouwen meerdere malen op het hart dat de Indische wereld nog steeds bol staat van het “vrouwelijk schoon”. Phefferkorn had het kamp overleefd door zijn sport, pencak silat, waarbij het “de kunst was om de energie, die overal om ons heen is, naar je toe te trekken.” Dat ben ik zeker met hem eens. En ik geloof ook dat hem dat afgelopen zaterdagmiddag weer gelukt is.


Met dank aan Chris Carli voor de foto’s.

————————————————————————————

Deze blog verscheen eerder op http://kivos.hyves.nl.