Recensie: Een meisje van honderd

Een hartverwarmend verhaal dat doet verlangen naar een ongekend land

Tijdens het lezen van de eerste pagina van Marion Bloems roman Een meisje van honderd bevind ik me als stille getuige in het Nederlands-Indië van 1906. Ik kijk mee over de schouders van hoofdpersoon Moemie en andere personages die in dit verhaal een bijdrage leveren aan 100 jaar familiegeschiedenis. Met het lezen van dit boek hoop ik het gemis van nooit (of half) vertelde verhalen op te vullen.

Helderziende gave
Het verhaal begint met een aangrijpende gebeurtenis; de rituele zelfmoord van de koninklijke familie op Bali waarbij Moemie als baby van nog geen jaar haar familie kwijtraakt. Nadat een Nederlandse soldaat ontdekt dat ze nog leeft, komt Moemie in Semarang (Java) terecht. Steeds op een andere plek, eerst bij een weduwe met kind, daarna in een klooster. Al snel wordt duidelijk dat Moemie een gave heeft. Ze kan praten met geesten van overledenen, in visioenen of dromen, wat haar uiteindelijk bij het gezin van weduwe Van Maldegem brengt. Dit gezin neemt Moemie in huis om de geesten in huis te verjagen. Ook willen mensen Moemie’s advies omdat zij toekomstbeelden ziet. Zo kan zij zien of een echtgenoot trouw is, een familielid is overleden of welk noodlot iemand te wachten staat. Haar helderziendheid beperkt zich niet alleen tot persoonlijke adviezen of contact met individuen. Ook heeft ze visioenen van de Balinese vulkaan Merapi die zal uitbarsten en zelfs van de Twin Towers ramp.

Oorlogs- en bersiaptijd
In een groot deel van het boek wordt een beeld geschetst van Nederlands-Indië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, de bersiaptijd en de politionele acties. Marion Bloem heeft die periodes pijnlijk goed weergegeven. Bijvoorbeeld in de passages waarin Moemie slachtoffers van het geweld ziet, tijdens haar werk als verpleegster, of in een van haar visioenen: ‘Ze wordt een van vele slachtoffers die zich tegen die overmacht niet kunnen verdedigen. Ze vallen haar van alle kanten met scherpe voorwerpen aan. De gezichten van de aanvallers kenmerken zich niet door afkomst, maar door haat, en de behoefte om te doden.’

Marion Bloem © Ivan Wolffers
Marion Bloem © Ivan Wolffers

Familie
Naast de geschiedenis van Moemie, krijgen we ook inzicht in de levens van de nakomelingen van het pleeggezin waarin zij is opgegroeid. Het perspectief wordt om het hoofdstuk afgewisseld, wat de spanning flink opbouwt. In een hoofdstuk over pleegnichtje Charlotte leer je iets over een gek geworden tante. In een later hoofdstuk waar het perspectief bij Moemie ligt, wordt pas duidelijk hoe dat is gekomen. Op deze manier prikkelt Bloem mijn nieuwsgierigheid. Het boek leg ik het liefst niet meer weg. Ik wil er snel doorheen om meer te weten te komen, en tegelijkertijd hoop ik dat er geen eind aan het verhaal komt.

Kleurrijke beschrijvingen
Bloems kleurrijke beschrijvingen spreken sterk tot de verbeelding.  Ze neemt de lezer mee op reis door de tijd en laat de ontwikkelingen van Nederlands-Indië naar het hedendaagse Indonesië zien. Soms heeft ze een sfeer zo krachtig neergezet dat die bijna beklemmend is. Daarnaast worden veel herkenbare, gezellige momenten van een hechte familie beschreven, waarbij pianomuziek bijna hoorbaar is vanaf de pagina’s. Een meisje van honderd brengt een land dat ik niet kende, hartverwarmend dichtbij.

Voor wie?
Dit boek is vooral een aanrader voor degenen die weinig tot niets weten van hun familieverhalen. Marion Bloem zet een goed tijdsbeeld neer en zorgt voor net wat meer bewustwording van het Indische verleden. Soms is dat hard en confronterend, maar belangrijk als je geïnteresseerd bent in je roots. Na het lezen van dit boek begrijp ik het zwijgen van de eerste generatie veel beter.

Een meisje van honderd. Marion Bloem. De Arbeiderspers. Utrecht, 2012. 19,95 euro.

Dewi in Jakarta # 8: de mix van Bali

Met mijn puppy op Bali. Foto: Dewi Reijs/ Indisch 3.0 2012.
Met mijn puppy op Bali. Foto: Dewi Reijs/ Indisch 3.0 2012.
Met mijn puppy op Bali. Foto: Dewi Reijs/ Indisch 3.0 2012.

Dewi Reijs (29 jaar) is actrice en theatermaakster en gaat voor enige tijd naar Jakarta op zoek naar werk in de filmindustrie. Voor Indisch 3.0 hield ze tijdelijk een dagboek bij. Dit is alweer de laatste aflevering. We wensen haar veel succes en plezier toe!

Woensdag 22 augustus

‘Thuis’

Ik woon nog niet zo lang in mijn studio in Bali. Toch voel ik me er al helemaal thuis. Dat komt vooral door de mensen die in de straat wonen. Eigenlijk is het meer een ‘buurtje’ van twee smalle doodlopende straatjes omdat daar de rijstvelden beginnen.

"Anjing!!!!!". Foto: Dewi Reijs.
“Anjing!!!!!” Foto: Dewi Reijs.

Wanneer ik in de namiddag terugkom, loop ik soms nog een rondje met mijn puppy. De kinderen in de straat gaan dan, als een grote zwerm zoemende bijen, achter haar aan vliegen. Wat bijzonder is: het zijn lokale, gemixte en buitenlandse kinderen en iedereen speelt met elkaar. Engels, Balinees, Indonesisch – alles wordt hier door elkaar gesproken.

Ik laat mijn puppy vaak met de kinderen ‘buiten spelen’: ze wordt vanzelf weer thuis gebracht. Alleen als ik net in de ochtend wakker word is het iets minder idyllisch: mijn buurjongen staat dan voor mijn tuinhek staat en gilt heel hard ANJING!! (HOND!!). In het vervolg hoef ik in ieder geval de wekker niet meer te zetten.

In 1945 is de Republiek Indonesië onafhankelijk verklaard. Op 17 augustus is het onafhankelijkheidsdag. Nederland erkende deze datum pas in 2005. Ik probeer op deze nationale feestdag de straat uit te fietsen, maar moet halverwege afstappen. Voor mij staat een grote groep mensen die zich ergens omheen hebben verzameld. Ik hoor fanatiek geroep. Verbaasd kijk ik waar ze mee bezig zijn.

Dewi Reijs. Foto: Agung 2012.
Dewi Reijs. Foto: Agung 2012.

Ze zijn oud-Hollandse spelletjes aan het doen. Verschillende gekleurde sarongs zijn aan elkaar geknoopt en vormen samen een lang touw. Twee groepen vrouwen staan tegenover elkaar en trekken met volle kracht aan ‘het touw’ . Juist: lekker touwtrekken met z’n allen. Ik zie ook mensen ‘spijkerpoepen’. Je doet een touw om je middel met daaraan een spijker, daarna moet je proberen om de spijker in de fles ‘te poepen’. Het zie er héél grappig uit. ‘Lucu sekali’ zeg ik tegen mijn buurvrouw.

Wanneer ik even later weer op mijn fiets stap, bedenk ik mij dat ik hier best zou kunnen wonen. Niet voor de rest van mijn leven, maar misschien voor één jaar. Of twee? Wat is twee jaar op een heel mensenleven? Ik dagdroom een beetje verder. Ik heb ontzettend veel interessante en leuke mensen ontmoet de afgelopen tijd, ik ben erg benieuwd of er mooie projecten uit voortkomen.

Ik fiets naar het strand en til mijn puppy uit het mandje. Ik trek mijn slippers uit en loop door het zoute water achter haar magere beentjes aan. De zon is bijna onder maar het is nog niet koud. De natuur en het tropische weer tellen natuurlijk óók mee. Dat is iets wat mij nooit zal gaan vervelen. Binnenkort ga ik weer even naar Jakarta, dat is toch waar het allemaal gebeurd op werkgebied. Dan weer terug naar Bali en in oktober naar Nederland, naar huis.

Maar wat voelt voor mij als ‘thuis’? Voor mij is dat toch waar mijn familie en vrienden wonen. Durf ik die wel achter te laten? Het is niet dat zij hier in een uurtje zijn, met de auto of de trein. Dat is iets waar ik goed over na zal moeten denken de komende tijd.

Met dit promofilmpje gaat DewiReijs zichzelf in de markt zetten als actrice en model. Bekijk hem ook op Vimeo.

Dewi in Jakarta #6: besluiten

Zonsondergang op Bali. Foto: Dewi Reijs 2012.
Zonsondergang op Bali. Foto: Dewi Reijs 2012.
Zonsondergang op Bali. Foto: Dewi Reijs 2012.

Dewi Reijs (29 jaar) is actrice en theatermaakster en gaat voor enige tijd naar Jakarta op zoek naar werk in de filmindustrie. Voor Indisch 3.0 houdt ze tijdelijk een dagboek bij. Dit is de zesde van acht afleveringen.

Vrijdag 3 augustus

KAMPUNG GIRL

Ik zit op Bali. Mijn Indische familie heeft hier sinds een paar jaar een huis. Ontzettend mooi maar…. ver van de kust. Dat is iets wat voor mij best problematisch is. Ik houd van rust, toch moet de drukte van een stad voor mij altijd binnen handbereik blijven. Niet ver van ons huis zit wel een kleine kampung, slechts 5 minuten lopen over een kronkelend pad.

Ik pak de scooter en rij naar de kust. Al na een paar dagen weet ik weer hoe verslavend het strand hier kan zijn. Mijn favoriet is de zon die ‘s avonds in de zee verdwijnt en langzaam de lucht kleurt. De hemel veranderd dan van een goudgele gloed naar felrood met dunne roze slierten.

De sfeer is totaal anders in Jakarta, met een hoog ‘Het-is-hier-gezellig-vakantieman’-gehalte. Ik ga met de stroom mee en struin wat strandfeestjes af. Mijn Indonesisch gaat achteruit omdat ik veel te vaak over moet schakelen naar het Engels. Te veel expats hier.

Voor een actrice valt hier niet veel te doen. Toch heb ik, tot mijn grote verrassing, vrij snel een afspraak met een talentvolle regisseur uit Ubud. Het klikt geweldig met haar omdat we dezelfde leeftijd en interesses hebben. Een week later volgt een afspraak met een modellenbureau. Ik trek mijn luipaardhakjes uit Jakarta aan en sjees op de scooter langs de rijstvelden naar mijn afspraak. De mensen die tot hun enkels gebukt in de modder staan komen omhoog en zwaaien. Ik zie eruit als een zeldzame paradijsvogel.

Na 1,5 uur kom ik eindelijk aan. Mijn haar plakt op mijn voorhoofd en is één klittenboel geworden. Ik snel naar het toilet en probeer zo goed mogelijk mijn haar te fatsoeneren met een dun plastic kammetje. Ik open mijn laptop om mijn foto’s te laten zien. Dan zegt ze: ‘Je bent anders in het echt, op deze foto’s lijk je dikker.’ Ik kijk verbaasd naar mijn lachende wangen op één van de foto’s. Wanneer ik thuis ben ga ik in mijn ondergoed voor de spiegel staan. Ik ben ongeveer 4 tot 5 kilo afgevallen. Het zal de hitte zijn. Ik ben immers een alleseter.

Thuis voel ik mij een heuse kampung girl. Er zijn twee honden, een kat, twee konijnen en twee eenden. Buiten de poort loeit een koe en klinkt er gekakel van kippen. Dan vind ik ook nog op een vuilnisbelt een jonge pup, type ‘vuilnisbakkenras met hyena-look’, waar ik direct verliefd op word. Dieptepunt als kampung girl is wanneer er jonge konijntjes worden geboren en één voor één dood gaan voor mijn ogen. Klote natuur.

Na een week ben ik gaar van het op en neer reizen van de kust naar huis (ook door de feestjes, ja). Ik besluit een studio te huren in de buurt van het strand en koop een fiets. Dan neem ik nog een besluit. Ik cancel mijn ticket en verleng mijn visa. Ik blijf voorlopig in Indonesië. Het is nu nog niet de juiste tijd om terug naar Nederland te gaan! Senang sekali!

Wanneer dromen tastbaar worden (1)

Welcome to Bali

Indonesië gaan zien is een feit

Zomer 2010. Voor het eerst zal ik het land gaan bezoeken waar ik van kleins af aan over droom. Indonesië, Indië, Nederlands-Indië. Het land waar mijn roots gedeeltelijk liggen. Het land waar mijn opa altijd zo naar terug verlangd heeft. Het land waar mijn oma juist liever niet meer terug wilde komen. Zou het echt zo zijn dat de geur herkenning bij mij oproept? Dat elke man van mijn opa’s leeftijd mij aan mijn opa zal doen denken? Ik zal het gaan ervaren.

Schiphol. Enkel 20 uur vliegen staat nu nog tussen mij en mijn lang gekoesterde droom in. Het moment van herkenning, van voelen en misschien (nog) dichterbij mezelf komen. Dag lieve mama. Nog eenmaal vraag ik haar of ze het echt niet erg vindt dat ik eerder naar Indonesië ga dan zij ‘terug’ kan gaan. Ze geeft me een kus, ‘geniet Rooske.’ Met de ketting van mijn Indische opa Ed om mijn pols en zijn foto in mijn rugzak ga ik door de douane het vliegtuig in. Indonesië gaan zien is een feit.

Ik land in Jakarta op de dag dat mijn moeder in 1956 Jakarta verliet. Een maand zal ik hier zijn, precies de maand dat mijn moeder op de boot naar Nederland zat. Gepland? Nee. Enkel toeval? Nee, ik geloof niet in toevalligheden. Ik ruik, ik voel, ik proef. Welkom.

Wanneer mijn visum gecontroleerd wordt, vraagt een uiterst vriendelijke jongeman mij of ik in Indonesië ben ‘to find a boyfriend’, want als dat zo is dan wil hij mijn ‘boyfriend’ wel zijn. Voor de duidelijkheid meldt hij er ook bij dat hij natuurlijk ook nog wel een ‘boyfriend’ heeft voor mijn reisgenootje Sjors. Sjors en ik vertellen hem vriendelijk dat we het met z’n tweeën ook wel gaan redden. Zodra beide visa goedgekeurd zijn, maakt de jongeman nog één opmerking: ‘Look out for the boys’. Met deze tip op zak zijn we helemaal klaar voor het laatste stukje vliegen.

In Jakarta pakken we het vliegtuig naar Bali. Drie weken zullen we op Bali doorbrengen, één week zullen we Lombok gaan ervaren. Waarom Bali en Lombok? Tja, je moet ergens beginnen. We landen om half één ‘s nachts. Een bord met ‘Welcome to Bali’ begroet ons. Als een echte toerist moet ik dit bord toch echt even vastleggen op camera. Wanneer we onze backpacks hebben lopen we naar de uitgang. Een man staat al te wachten met een stukje karton in zijn hand waar ‘Georgina’, beter bekend als Sjors, op staat. Een warme natte deken valt over ons heen en direct worden alle zintuigen geprikkeld. Hoe stom ook, mijn eerste gedachte is, moet ik een maand in een dergelijk klimaat leven? Mijn tweede gedachte, het ruikt hier naar de pasar, naar de toko, naar het huis van mijn tante wanneer ze lekkere dingen kookt. Geurherkenning in the pocket?!

De laatste held van Kintamani

Ketut Bali Elsbeth Vernouth

Een blog vanaf Bali

Meer dan honderd jaar oud is hij, Ketut Limbak, en speciaal voor de ‘Belanda’s’ die op bezoek zijn trekt hij zijn militaire uniform nog een keer aan. Hij is een van de laatste getuigen van de strijd tegen de Hollanders op Bali. Toerist zijn op Bali is alsof je in het paradijs bent beland, zoals velen zullen weten. Maar soms wordt de cocon van zee, strand, Balinese dansen en pineappele pancakes even doorbroken door een glimp van het minder paradijselijke koloniale verleden van het eiland.

Bali was in de VOC-tijd een zelfstandig hindoeïstisch koninkrijk. Pas vanaf het midden van de 19e eeuw kwam het eiland geleidelijk onder Nederlands bestuur. De uiteindelijke, bloedige onderwerping vond in 1906 plaats, nadat de Balinese adel in Badung – mannen, vrouwen én kinderen – massaal zelfmoord pleegde door slechts gewapend met kris en klewang op het vijandelijke vuur in te lopen. De strijd om de onafhankelijkheid bereikte op Bali een hoogtepunt in 1946 met de slag bij Marga. I Gusit Ngurah Rai, een charismatische jonge Balinese Luitenant Kolonel, sneuvelde op 26 november met zijn 95 manschappen bij een aanval tegen de Nederlanders.

Huiskip

Komang Dipa, onze chauffeur voor een dag, brengt ons naar het huisje waar zijn familie woont in het Kintamani- berggebied. Hij wil dat we zijn opa ontmoeten, die na 1946 nog tegen de Hollanders heeft gevochten. Na een bloedstollende autorit – berg op, berg af en vele gaten in de weg ontwijkend – komen we uit bij de kleine boerengemeenschap waar de familie woont. Hoe oud grootvader precies is, weet zijn kleinzoon eigenlijk niet. Op Bali worden geboortedata niet geregistreerd, zeker niet in de tijd dat grootvader werd geboren. Maar hij is ouder dan honderd jaar, en hij kijkt nog steeds schrander uit zijn ogen. Hij zit nieuwsgierig te kijken naar ons vanaf een platformpje naast het huis. Naast hem blaten de geiten, voor zijn voeten scharrelt de huiskip met haar kuikens.

Ketut Bali (c) Elsbeth Vernouth/ Indisch 3.0Speer

Salueren kan hij nog, Ketut Limbak. Zijn uniform is niet meer zo smetteloos en kreukloos als vroeger, maar eenmaal omgekleed is ineens weer iets zichtbaar van de trotse vrijheidsstrijder die hij was. Hij vocht na de Tweede Wereldoorlog tegen het Nederlandse leger met een speer, vertelt zijn kleinzoon, geweren of handgranaten hadden ze niet. Hij werd gevangen gezet en volgens de overlevering in een kuil met water gegooid waar de Hollanders stroom op zetten. Maar Ketut overleefde het als een van de weinigen, en toen het koloniale leger uit Bali vertrok kreeg hij de status van oorlogsheld.

Boos

Gelukkig is opa niet meer boos op de Hollanders, vertelt hij via zijn kleinzoon. Het is al zo lang geleden. Bij het weggaan wil hij nog één ding van ons weten. Wat voor bomen hebben ze eigenlijk in Nederland?