3.0 in de media: Kaja Wolffers

‘Kaja Wolffers. Hmm. Wie is deze 3e generatie Indo ook al weer?’ ‘Is hij niet de-zoon-van Marion Bloem?’ Begint er al iets te dagen? ‘O ja, doet hij niet iets in de mediawereld?’ Kaja (40 jaar) is creative director bij NL film. In een ontspannen gesprek vertelt hij over zijn werk en zijn roots.

NL Film
Drie jaar geleden is Kaja Wolffers begonnen bij NL Film, een productiemaatschappij die films en televisieprogramma’s maakt voor vrijwel alle zenders. ‘NL Film kenmerkt zich met goed gemaakte televisieprogramma’s. Denk aan Popoz, Penoza, Spangas. In het verleden hebben we ook films gemaakt zoals Verliefd op Ibiza, Alibi etc. Momenteel draait onze film Mannenharten in de bioscoop,’ vertelt deze Indische creative director.

Creative director
‘Mijn werk bestaat eigenlijk uit een aantal werkzaamheden. De ene dag kunnen schrijvers of regisseurs langskomen met een idee. Ik bekijk of ik dat verder kan ontwikkelen en kan verkopen aan één van de zenders. Op het andere moment ga ik langs zenders. Ik neem boekjes mee en vertel enthousiast waarom een dramaserie leuk is voor RTL4 of SBS. Daarna is het eigenlijk afwachten of het idee wordt geaccepteerd, daar kan veel tijd overheen gaan. Ik word weer actief op het moment als de eerste beelden en montage worden afgeleverd. Vervolgens ontwikkelen we dit om het gewenste resultaat te krijgen.’

Kaja op de werkvloer / Foto: Wynand Chocolaad
Kaja op de werkvloer / Foto: Wynand Chocolaad

Kabels vasthouden
Vroeger stortte Kaja zich op een exact vak, namelijk scheikunde. Hij dacht dokter te willen worden. ‘Mijn ouders zijn allebei half creatief. Ik zag mij zelf niet in die wereld, daar wilde ik eigenlijk ver weg van blijven’ geeft Kaja toe. Toch stuurde deze zoon van een Hollandse vader en Indische moeder open sollicitaties  naar John de Mol en Joop van de Ende Productions. Kaja denkt terug aan het begin, hoe hij kabels mocht vasthouden tijdens opnames. Hij werd assistent-opnameleider bij Goede Tijden Slechte Tijden. Daarna werd hij opnameleider bij Goudkust, om vervolgens op de regisseursstoel terecht te komen bij o.a. Onderweg naar Morgen, Costa en nog vele andere series . ‘Ik ben trots op de plek waar ik nu sta als creative director. Ik heb vooral veel geleerd doordat ik onderaan ben begonnen, op deze manier ben ik het vak steeds beter gaan begrijpen.’

“Indisch zijn is veel meer dan de bepaling van iemands karakter.”

Indische films
Gaat Wolffers binnenkort een Indische film ontwikkelen? Kaja weet geen goede verhaallijn voor een Indische film: ‘Films moeten sterke personages hebben met een bepaalde achtergrond. Voor mij is het Indisch-zijn veel meer dan de bepaling van iemands karakter. Het is heel moeilijk om in een verhaal te vertellen wat een cultuur echt inhoudt. Je komt toch weer in een soort van cliché terecht. Gezelligheid met families en lekker eten, dat is voor mij niet de kern van een Indisch verhaal. Anders zal het weer zo’n historisch verhaal worden zoals dat een blanke een Indo komt redden.’

Kaja Wolffers. Foto: Fréderique Vlamings
Kaja Wolffers. Foto: Fréderique Vlamings

Onderscheid
‘Indische mensen zijn in mijn ogen Nederlanders die Indisch bloed hebben en die door culturele verschillen gevormd zijn. Mensen uit Nederlands-Indië probeerden altijd heel erg hun best te doen omdat ze voor hun gevoel iets te compenseren hadden. Ze wilden zich heel nadrukkelijk onderscheiden van de Indonesiër.’ Dan komt er een herkenbaar momentje voor mij, als Kaja vertelt dat hij zichzelf nog steeds betrapt op het feit dat hij nadrukkelijk het verschil tussen Indonesisch en Indisch uit wil leggen. ‘Het is eigenlijk achterlijk, een idiote tic. Ik verbeter mensen nog altijd als ik Indonesisch word genoemd. Is het omdat het wat chiquer staat om jezelf Indisch te noemen? Haha, het zit er helemaal ingeramd door mijn omaatje.’

“Ik verbeter mensen die mij ‘Indonesisch’ noemen.”

Bamboe
Indisch zijn is voor Kaja vergelijkbaar met een bamboeplant. ‘ Je moet een beetje buigbaar als bamboe zijn in je leven. Meebuigen wanneer situaties tegenzitten, maar tegelijkertijd keihard zijn. Aan de ene kant taai en ambitieus zijn en aan de andere kant geven als het nodig is. Een bamboeplant waait nooit om, maar een oude Eik van 300 jaar kan omvallen tijdens een storm die wij onlangs hadden. Dat is voor mij een beetje dat Indisch-zijn, maar het betekent voor mij ook respect hebben voor ouderen en naar elkaar luisteren voordat je wilt gaan strijden. Ik zeg niet dat ik dit zelf perfect doe, want ik heb ook Hollands bloed in mij.’ geeft Kaja toe.

Mata gelap
‘Heel veel Indo’s die ik ken en in het vak meemaak, zijn hele aardige mensen die altijd blijven teruglachen en niet zeggen wat ze dwars zit. Overal in meegaan en dan op een gegeven moment wordt het mata gelap en dan ontploft er woede. Het grappige is dat ik dit nog heel vaak herken in mijzelf maar ook in heel veel Indo’s met wie ik werk. Het is misschien bij de tweede generatie meer zichtbaar. Je gaat overal een beetje in mee en dan op een gegeven moment barst het uit. Westerlingen zeggen gelijk waar het op staat, je hebt dan gelijk je frustratie eruit.’

'Hoe heet dat Indonesisch woord?' Lattà? - Foto: Angelo Vodegel / Indisch3.0 2013
‘Hoe heet dat Indonesisch woord?’ Lattà? – Foto: Angelo Vodegel / Indisch3.0 2013

Lattà
Als ik Kaja vraag naar een typische Indisch tic, dan begint hij gelijk met zijn vingers te kraken. Maar hij denkt ook aan de woorden van zijn vader. Alleen komen we niet snel op de Indonesische term hiervoor. ‘Het is een manier om naar iemands verhaal te luisteren dat het uiteindelijk op een moeizame manier wordt verteld. Ik ben heel meegaand en beweeg dan bijna met mijn hoofd mee.’ Uiteindelijk komt het verlossende woord er lachend uit, ‘ja precies dat heet ‘Latta’.

Indonesië
‘Sinds mijn vierde jaar ga ik bijna elk jaar naar Indonesië. Het is eigenlijk een beetje een haat-liefde gevoel. Kretek vind ik heerlijk om te ruiken als ik daar aankom, dat relaxte spreekt mij ook aan. Het is een sympathiek land, maar ik schrik elke keer als er vreselijke situaties ontstaan.

Fanatieke moslims
‘Het is een unheimisch land. Heel de dag aardig tegen elkaar doen en ineens barst het los. Er rollen dan letterlijk hoofden over straat. Ik snap ook niet waarom Miss World verkiezing had moeten plaatsvinden in een islamitisch land. Het ergert mij zo als ik fanatieke Indonesische moslims ziet demonstreren, ineens komt al die woede naar boven. Uiteindelijk kunnen ze het weer voor elkaar krijgen om vrolijk glimlachend verder te gaan. Het zijn allemaal weldenkende mensen – soms lijkt het net alsof ze een uitlaatklep zoeken. Bali vind ik één van de leukere plekken.’

De film Mannenharten speelt momenteel in de bioscoop. Ik heb de film gezien. Wie van romantische verhalen houdt met een spannend ondertoontje, zal dit absoluut een aanrader vinden. Zal het de Nederlandse kerstfilm van 2013 worden?

Duit, Handuk, Buncis en Knalpot

Als gevolg van 350 jaar Holland in de Tropen zijn veel woorden uit onze taal aan het Indonesisch blijven kleven. In totaal bevat het Bahasa Indonesia een paar duizend leenwoorden uit het Nederlands. Op reis door de archipel merk je dat direct. Maar niet alleen in het standaard Indonesisch zitten Nederlandse woorden, ook in het Javaans, Sundanees en Manadonees hoor je bekende woorden terug. En natuurlijk in het Bahasa Gaul, waar ik eerder over schreef. Al moet je soms wel goed luisteren om de woorden te herkennen.

Zo had ik een paar reizen naar Indonesië nodig voor ik doorhad dat het woord permak, wat opknappen betekent, komt van het Nederlandse “vermaken” en wordt gebruikt als je iets wil repareren. Nog zo een: duit (spreek uit: doe-iet), wat een ander woord is voor “geld”, komt van het Nederlandse “duit”. Duurde bij mij even voor het kwartje viel…

Het is sowieso wat lastiger geworden om Nederlandse woorden te herkennen doordat de spelling van een aantal gangbare lettercombinaties in de loop van de tijd is veranderd. De “tj” werd “c”, de “j” werd “y” en de “oe” werd “u”. Handuk was eerst gewoon handoek, en peci (spreek uit pe-tjie), het woord voor het door moslimmannen gedragen hoofddeksel, gewoon petje.

Maar er zijn nog veel woorden één op één te herkennen, zoals het woord buncis, afkomstig van “boontjes”, en koki van het Nederlandse “kokkie” of “kok”. Je weet wel, die persoon die elke avond eten bereidde terwijl de Hollander op de veranda dronk uit een kokosnoot (is kelapa, weer van het Nederlandse “klapper”, of was het andersom?) en aspal, afkomstig van “asfalt”.

“Wel handig zoveel Nederlandse woorden”, hoor ik een aspirant Indonesiëreiziger wel eens zeggen. Helaas is er weinig hoop voor mensen zonder talenknobbel. Met alleen Nederlands kom je namelijk niet zo ver. Behalve als je brommer- of autopech hebt,  en dan alleen als je problemen hebt met je ban, setir, persnelling, kopling of knalpot.

De “Nederlandse” woorden worden bovendien vaak net anders uitgesproken en welke variant je hoort, hangt af van de plek. In West-Java bijvoorbeeld, en dan vooral rond Jakarta, wordt het woord preman gebruikt om kleine straatcriminelen aan te duiden. Dat woord komt weer van “vrij man”. Oftewel, vrije jongen.

In Makassar in Zuid-Sulawesi hoorde ik een paar jaar terug een van de leukste voorbeelden van ver-indonesisch-t (hoe schrijf je dat eigenlijk?) Nederlands: iedereen gebruikte als stopwoordje aan het eind van de zin ‘Ya toh?’ Uiteraard afkomstig van het Nederlandse “ja, toch?” Ik schoot er steeds van in de lach tot ik het na anderhalve week zelf ook deed en het duurde een hele tijd voor ik het weer kwijt was.

Natuurlijk zijn er andersom in het Nederlands ook veel Indonesische woorden. Daar zou ik eigenlijk een aparte blog aan kunnen wijden. Toch een paar… “Met je blote kakkies lopen”, komt van het Indonesische woord kaki, wat voet betekent. “Dat is iemands pakkie-an”, komt van het woord bagaian, wat “deel” of “aandeel” betekent. Oh ja, en natuurlijk “amok maken”, van het Indonesische amok, wat ruzie betekent.

Bij ons wordt het vernederlandste Indonesisch natuurlijk nog wel in de oude spelling geschreven. Wij noemen kroepoek tenminste nog gewoon kroepoek! Daar voelen wij ons meer senang bij, ya toh?

So What Gitu Loh!

In de meeste mengculturen ontstaat een sociale omgangstaal op basis van verschillende talen. In Nederlands-Indië ontstond natuurlijk het petjoh, een mengtaal van Nederlands en Indonesisch (vooral Javaans en Betawi) die veel oudere indo’s vaak nog steeds kunnen spreken. Maar ook in het Indonesië van nu is er onder de jonge generatie een eigen mengtaal onstaan: het Bahasa Gaul.

Het is een mengtaal zoals er in de wereld talloze zijn ontstaan: het Sabri uit het Middelandse zeegebied, het Russenoors, het Sranan Tongo uit Suriname en natuurlijk het vroegere pasarmaleis, de lingua franca van de Indonesische Archipel. Taalwetenschappers spreken dan van een pidgintaal of creooltaal; een taal die elementen van verschillende talen bevat. Simpel in gebruik en meestal alleen in gesproken vorm.

Bahasa Gaul bevat veel samenvoegingen van twee of meer woorden tot een woord. Terima kasih (Dankjewel) wordt in het Bahasa Gaul bijvoorbeeld “makasih”. Maar er worden ook nieuwe uitdrukkingen gevormd. Bijvoorbeeld met engelse woorden, zoals de kreet: “So what gitu loh!” (Wat maakt het uit!) die je vaak hoort.

De term Bahasa Gaul dook voor het eerst op in de jaren 90 en betekent vrij vertaald zoiets als sociale taal. Het is een straatslang ontstaan vanuit het Betawi, de taal van de Jakartanen, het Hokkien-Chinees, en het Bahasa Prokem, een oudere straataal die gesproken wordt door zogenaamde preman, of kleine straatcriminelen. Maar Bahasa Gaul bevat ook woorden uit de travestie- en gay-cultuur van Jakarta.

De nieuwe taal is alleen niet zo geliefd onder taalkundigen. Een paar jaar geleden riep een groep taalkundigen de media in Indonesië op om Algemeen Beschaafd Indonesisch te gebruiken en de verspreiding van Bahasa Gaul te stoppen”. Niet dat het geholpen heeft, want inmiddels is het de taal van de Indonesische populaire cultuur geworden. Vooral de jongere generatie gebruikt het en door social media en sms verspreidt de nieuwe slang zich steeds sneller en gemakkelijker. Bovendien wordt Bahasa Gaul nog eens extra populair gemaakt door soap-acteurs en celebrities.

En ja, de ontwikkeling van taal laat zich natuurlijk ook niet begrenzen door linguïsten die dat taalverloedering vinden. Taal evolueert per definitie constant tot iets anders en vernieuwt zichzelf voortdurend. Zeker in een mengcultuur zoals de in Indonesische ontstaat al snel een nieuwe pidgintaal. Als je binnenkort van plan bent naar Indonesië te gaan: leer dan wat standaard-Indonesisch, maar verdiep je zeker ook eens in Bahasa Gaul… Want met Petjoh of pasar-maleis kom je niet meer zo ver. So What Gitu Loh!

Een gebrekkig historisch besef

kolonien-indie-overdrachtAmsterdam, 27 september 2008
door Ed Caffin

Ik moet vaak uitleggen wat het verschil is tussen Indisch en Indonesisch. Meestal vragen mensen waar ik vandaan kom of “wat mijn achtergrond is”. Ik zie er volgens de meeste mensen “mediterraans” of “Arabisch” uit, maar zeg ik “Indisch”, dan denken sommigen dat ik uit India kom. Als ik zeg dat ik “Indo” ben, dat heeft meestal mijn voorkeur, zegt bijna iedereen “oh, Indonesisch”. “Nou, nee niet precies” is dan mijn antwoord, om vervolgens geduldig de nuances uit te leggen tussen deze verschillende begrippen.

Tijdens die uitleg ontkom ik niet aan een stuk geschiedenis. Meestal vertel ik in grote lijnen dat Indische mensen een gemengde Europees/Aziatische afkomst hebben en dat zij (daarmee) een aparte groep vormden in de vroegere kolonie Nederlands-Indië. De meesten van hen kozen er na de onafhankelijkheid van Indonesië voor om naar Nederland te gaan. Zoals mijn grootouders die zo, samen met mijn vader en zijn broers, in Nederland terecht kwamen.

De meeste mensen reageren met verbazing op dat verhaal. Hoe komt dat nou? De belangrijkste reden is volgens mij dat er bij de meeste (jonge) Nederlanders een gedegen ‘historisch besef’ ontbreekt. Zij kennen de koloniale geschiedenis gewoonweg niet. De meeste bibliotheken hebben echter vrij veel boeken over de koloniale geschiedenis en op internet is veel te vinden. Misschien is het dus een gebrek aan interesse, maar volgens mij is het nog veel meer een gebrek aan koloniale geschiedenis in het onderwijs. Mijn geschiedenisleraren vertelden zo goed als niets over Nederlands-Indië en Indonesië en legden niet uit waarom er eigenlijk zoveel Indische mensen in Nederland wonen. Een schande eigenlijk.

Daarnaast is er een hardnekkige vorm van geschiedkleuring geweest die eigenlijk nog steeds voortduurt en die het historisch besef vertroebeld. Wat in Nederland wel ‘algemeen bekend is over Nederlands Indië en Indonesië is eenzijdig en hevig geromantiseerd. “Nederland heeft in de koloniale tijd veel goeie dingen gedaan voor de lokale bevolking in de Indonesische archipel” bijvoorbeeld, en “men legde wegen aan en er was scholing” etc. Dat gold misschien voor Java en een deel van Sumatra, maar zelfs daar kon maar een klein deel van de lokale bevolking daarvan profiteren.

Ander voorbeeld: volgens veel geschiedenisverhalen zijn Lombok en Bali aan het eind van de 18e en het begin 19e eeuw “gepacificeerd”, voerde Nederland een “ethische politiek om de mensen te verheffen” en zag het zich regelmatig “genoodzaakt her en der in de Archipel verzet de kop in te drukken”. Wat moet dat allemaal precies betekenen? Het zijn zachte, mooie woorden voor keiharde, lelijke feiten.

Het koloniale hoofdmotief was namelijk niet ethisch, maar puur economisch. De waarheid is dan ook dat er ten koste van bijna alles heel veel geld verdiend werd, de belangen groot waren en dat die belangen met behulp van vele oorlogen werden veilig gesteld en uitgebreid. Maar de mensen in Nederland kregen toen propaganda te horen. En eigenlijk gebeurt dat nog steeds. Op school horen leerlingen nog steeds dat er politionele acties in waren in Indonesië. Politionele acties? Iedere leerling die iets meer te weten komt over die tijd beseft zich al snel dat er sprake was van een oorlog. Een oorlog tussen Indonesische revolutionairen die vochten voor een vrij en onafhankelijk Indonesië en de (oude) koloniale machthebber die zijn kolonie eigenlijk wilde behouden*.

Wat ik zelf te weten ben gekomen over de geschiedenis van Indië en Indonesië weet ik door de verhalen die thuis werden verteld en voor de rest heb ik dat aangevuld met mijn eigen interesse en nieuwsgierigheid. Dat heeft in mijn geval misschien vooral wel te maken met het feit dat ik een (derde generatie Indische) Nederlander ben die een deel van zijn wortels in Indonesië heeft liggen.

Ik vind echter dat het opdoen van kennis over die belangrijk tijd in de Nederlandse geschiedenis niet afhankelijk moet zijn van die ‘toevallige’ interesse, of afgedaan kan worden met een kort en eenzijdig gekleurd verhaal. Hoewel het erop lijkt dat er de laatste tijd meer aandacht komt voor een genuanceerder verhaal en de geschiedenis van Indië en Indonesië recent een examenonderwerp was op middelbare scholen, vind ik dat niet genoeg.

Nee, de hele koloniale geschiedenis zou een vast onderdeel moeten worden in het onderwijs. Vanaf de VOC tot aan de Indonesische onafhankelijkheid en hoe bijna 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland kwamen. Verplichte kost! En graag ook in de juiste bewoordingen.

* Later zag ik overigens dat Alfred Birney in een recent artikel op zijn weblog ook ingaat op o.a. dit onderwerp. Zie hier zijn artikel.