Sint of Santa, papa of mama: ik wil een boek #2

De feestdagen komen er weer aan. Heb jij een boek op je verlanglijstje staan? Of  maak jij een surprise voor iemand die een boek wil? We hebben een lijstje met zeven titels samengesteld voor je, met suggesties die voor verschillende leeftijden geschikt zijn. De komende twee weken vind je die op Indisch 3.0. Vandaag de tweede suggestie. 

Joke de Jonge – Een schatkist vol verhalen.

Een schatkist voor geheimen. Joke de Jonge. 61 pagina’s. Indisch Herinneringscentrum Bronbeek. 2013. Te koop voor € 3,50 + € 2,50 verzendkosten.

Als kind vond ik het fijn om een boek te lezen dat over mijn Indische achtergrond ging, omdat ik me daardoor bewust werd van een stukje van mezelf dat op school verder niet aan bod kwam. Daarom was ik superblij met Marion Bloem’s Matabia. Wie weet kan Een schatkist vol verhalen voor Indische kinderen anno 2013 dezelfde rol vervullen.

Een schatkist vol verhalen is het verhaal van Dewi en Laurens die bij hun Indische opa en oma logeren. Per ongeluk ontdekken zij een kist met allemaal geheimzinnige documenten en zelfs een brief van de koningin. Wat is het van vroeger, waar vooral opa het nooit over wil hebben? Dewi en Laurens ontdekken zo een goed bewaard geheim, zoals dat Indische families eigen is.

Het boekje is prima geschreven, vanuit het perspectief van de kinderen, afgewisseld met een  flashback van opa – al kreeg ik wel jeuk van het woord ‘meidje’. Maar zelfs met die kanttekening is het boekje erg herkenbaar, erg Indisch en ontroerend en ontwapenend tegelijk. Een schatkist vol verhalen is het tweede boekje dat Joke de Jonge schreef over de Indische geschiedenis, op verzoek van het Indisch Herinneringscentrum.

Een schatkist vol verhalen is geschikt voor kinderen in groep 6 en 7, dus vanaf een jaar of 9.

Foto zoekt verhaal #2 "Teringhollanders!"

Een beeld zegt meer dan duizend woorden, zegt men wel. Maar wat als het beeld toch niet genoeg zegt, zoals bij de foto’s uit het Foto zoekt familie-project van het Tropenmuseum? Als niemand iets weet van degene die op de foto staat? In Foto zoekt verhaal, het vervolg op Photofriday, kijken we verder dan het beeld alleen: welke associatie roept de foto op? Aflevering 2: Koninginnedag in Indië.  

Koninginnedag. Foto: Tropenmuseum/ KIT.
Koninginnedag in Nederlands-Indië. Foto: Tropenmuseum/ KIT.

“Teringhollanders”

‘Wilhelmus van Nassouwe, ben ik, van Duitsen bloed..’ Deze foto, genomen op Flores, laat een optocht zien ter ere van Koninginnedag. De jongens maken muziek, de meisjes zwaaien rood-wit-blauwe vlaggetjes. Hun jurken zijn hagelwit, hun moeders hebben ze die ochtend nog te drogen gehangen in de blekende tropenzon. Onder luid gemopper hebben diezelfde moeders daarna geprobeerd de krul uit hun dikke haar te kammen, om het daarna strak tegen hun schedels te vlechten. Keurig lopen ze in de mars, de Indische jeugd, voor volk en vaderland en die verre Hollandse koningin, wiens gezicht ze alleen van foto’s kennen.

Mijn Indische oudtante Dé heeft vermoedelijk ook ooit in zo’n optocht meegelopen. Jammer genoeg heb ik haar nooit gekend, maar volgens de overlevering was ze een kleurrijk figuur.  Ze overleefde het Jappenkamp en kwam gebroken terug, met falende organen, overal ontstekingen en een snel verergerende reuma. Ook mentaal werd ze nooit meer de oude. Ze was geobsedeerd door vuur en stak in een vlaag van verstandsverbijstering alle belangrijke foto’s van mijn grootouders in de fik. Tweemaal trouwde ze met Hollandse mannen, die haar helaas beiden verlieten. In Nederland zat ze meestal in een hoek van de kamer, een gek oud mens met kromme heksenvingers van de reuma. Te vloeken, met consumptie: ‘Teringhollanders…’. Men zegt dat ze daarmee haar ex-echtgenoten bedoelde, maar misschien was het ook wel algemener bedoeld.

Dé moet heel mooi zijn geweest. Ooit was ze ook zo’n meisje in een stralend witte jurk, die haar best deed haar weerbarstige zwarte haren in de plooi te krijgen voor die verre koningin. Zoals het lange meisje vooraan op de foto, loyaal en vol verwachting. Ik stel me voor dat ze bij het zien van deze foto schamper zou lachen: ‘Ja, zo liep ik toch ook. We hoopten allemaal dat hare majesteit ons een keer op zou zoeken. Maar denk je dat er ooit een Koningin op Koninginnedag naar Nederlands-Indië kwam? Natuurlijk niet, wat dacht jij! Teringhollanders…’

Nee, dan die andere oudtante, mijn tante Rika! Zij had deze foto prachtig gevonden, net zoals ze alles van het Koningshuis prachtig vond. Alhoewel, niet alles, eigenlijk draaide haar koningsgezindheid maar om een persoon: Prins Bernard.

Ook Tante Rika zat altijd als een heks in een hoek van de kamer. Ze was een onooglijk mensje, eeuwig vrijgezel, een echte oude vrijster, onderwijzeres van beroep. Ze ging zodanig op in het interieur dat je je kapot schrok als je de kamer binnenkwam en er ineens uit een hoek klonk: ‘Doe die deur dicht! Wat een ijswind!’. Dat riep ze zelfs als het buiten twintig graden was. Tante Rika had haar kamer volgehangen met afbeeldingen en krantenknipsels van Prins Bernard: de prins in jachttenue, de prins in uniform, de prins voor een vliegtuig, al pijprokend aan de telefoon. Ik vermoed dat ze Juliana zo goed en kwaad als het ging van de foto’s afknipte en haar in reepjes in de prullenbak stopte. Maar misschien is dat mijn fantasie die met me op de loop gaat.

In elk geval, Tante Rika was zeer koningsgezind en zij zal waarschijnlijk gekird hebben bij het zien van deze foto. Ze heeft de vorige troonswisseling niet meegemaakt, maar ik ben er zeker van dat ze verrukt geweest zou zijn te horen dat er ditmaal een koning op de troon komt, de kleinzoon van haar lieve

Wat had ik de twee oude heksen graag horen discussiëren over de aankomende kroning:

‘WimLex,’ zou Rika dromerig uitbrengen bij het zien van het uniform.

‘Net zo’n boef als zijn opa,’ zou Dé mopperen.

Maar Maxima, die zouden ze allebei wel zien zitten. Net als alle andere Nederlanders.

Elke 30e  dag van de maand laat Meike Grol haar gedachten de vrije loop, aan de hand van een van fotoʼs uit de verweesde fotoalbums bij het Tropenmuseum. Vanwege de festiviteiten op 30 april 2013 hebben we deze post een dagje later gepubliceerd. De grote vraag blijft natuurlijk of er een kern van waarheid in haar verzinsels zit. Kent iemand de persoon op deze foto? En wat is er waar van onderstaande interpretatie? Wil jij het Tropenmuseum helpen de foto-albums terug te brengen naar de eigenaren of hun nabestaanden? Alle albums zijn online te bekijken op www.fotozoektfamilie.nl en te downloaden op je tablet.

Naschrift van de redactie: 

Het album waar deze foto uit komt, is inmiddels geclaimd. De familie is gevonden door Bert Immerzeel van Javapost. Het album is van Hajo P. Diepenhuis en zijn vrouw Marie Salteholz; inspecteur van de Staatsspoorwegen Hajo P. Diephuis en zijn vrouw H.C. (Maria). Omdat de oudste dochter problemen had met haar luchtwegen werd voor haar een kostschool gezocht en gevonden buiten Indië, in Perth, Australië. Een van haar zusjes  vergezelde haar. De beide meisjes bleven met enkele tussenpozen van ongeveer 1937 tot 1945 in Australië. In 1944 woonden ze in Melbourne, waar zij (beiden?) een opleiding kregen tot verpleegster. De jongere broer bleef met zijn ouders al deze tijd in Indië. Zij werden – voor zover bekend – tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd. Na de oorlog keerden de meisjes terug naar Nederlands-Indië, en vertrokken later met hun ouders naar Nederland. Weer later verhuisden allen naar Canada, in de omgeving van Toronto. Beide dochters leven nog en zijn 90 en 89 jaar oud.

Hun verdriet is niet van mij

Charlie Heystek Japan Japanse bezetting header

De Japanse bezetting. Als kind hoorde ik de verhalen over die tijd uit eerste hand. Mijn grootvader was oud-KNILmilitair en had de kampen in Indië overleefd. Mijn grootmoeder was tijdens de oorlog buiten de kampen gebleven, maar had de nodige ervaringen met Japanners gehad. Hun verhalen maakten me woedend op de Japanners.

Charlie met grootvader
Charlie met haar grootvader

Mijn opa kon in geuren en kleuren beschrijven wat hij op zee had zien gebeuren toen hij Java verdedigde, hoe hij de Changi-gevangenis wist te overleven, hoe de mensen eraan toe waren met wie hij de vliegveld in Singapore aanlegde. Ondanks dat mijn grootvader zonder moeite in de Mazda van mijn ouders stapte en mij altijd zei objectief te blijven over het verleden, voelde ik haat tegenover Japanners. Ik was kwaad op ze om wat ze mijn grootouders hadden aangedaan; de pijn, ellende en verdriet die ze hen hadden bezorgd. Misschien werd ik zelfs wel extra boos omdat mijn grootvader dit niet was.

De geschiedenislessen op school over de Tweede Wereldoorlog wakkerden mijn frustratie, en daarmee mijn haat, nog meer aan. De Oorlog werd jaarlijks behandeld en steevast bleef de oorlog in Azië vrijwel onbesproken. Tijdens de lessen riep ik standaard dat ook ik mijn fiets terug wilde om vervolgens de aandacht op de oorlog in voormalig Nederlands-Indië te richten.

De aandacht voor de Duitse bezetting stond in schril contrast met het aantal grootouders van medeleerlingen dat daar direct mee in aanraking was gekomen: vrijwel nul. De oorlog van mijn grootvader, die nota bene de krijgsgevangenekampen had overleefd, kreeg hooguit één alinea in het boek. Sterker nog, hooguit honderd woorden waren gewijd aan de gruwelijkheden in de Jappenkampen. En vaak was dat al veel aandacht: meestal was het een simpele opsomming van feiten.

Ik begreep niet waar mijn grootvader de kracht vandaan haalde om zo sterk en zonder haat door het leven te stappen.  Nadat we samen The Battle of Midway hadden gekeken, begreep ik het nog minder. Tijdens het kijken van de film had mijn opa mooie, spannende en leuke herinneringen opgehaald aan de oorlog, maar ik vermoed dat die herinneringen ook zijn angst uit de oorlog naar boven gehaald heeft. Want die nacht schreeuwde hij me wakker; hij zag Japanners op het behang.

Na die bewuste nacht begon ik na te denken over mijn eigen haat. Ik vroeg me af waar die haat dan vandaan kwam, want het was duidelijk niet mijn grootvader die me die had aangepraat. Ik concludeerde uiteindelijk dat mijn haat er was omdat ik het gevoel had dat ik de Japanners móest haten; uit loyaliteit naar mijn familie.

Een jaar of twee na deze avond met mijn grootvader ging ik voor het cultuur- en kunstvak op school naar een concert van Yamato, The Drummers of Japan. Een avond lang keek ik naar vijftien Japanners met enorme trommels om hun nek, terwijl ze van top tot teen bezweet waren en mij met een warme glimlach toekeken.  Met wrok was ik naar de voorstelling gegaan, eenmaal in de zaal werd ik compleet blanco. Voor het eerst zag ik Japanners gewoon als mensen en niet als de vijanden van mijn familie.

Niet lang na dit concert kreeg de kanker, waar mijn grootvader al dertien jaar aan leed, definitief grip op hem en was hij voorgoed aan Nederland gebonden. Daarvoor had hij altijd de hele wereld over gereisd en had ik hem weinig gezien. Tijdens zijn ziekbed zag ik hem vaker dan ooit en bouwden we een sterke band op. Gek genoeg hebben we het nooit meer over de oorlog gehad.

Mijn haat jegens Japanners werd minder naarmate ik mijn opa beter leerde kennen en toen hij de dag voor de trouwdag van mijn ouders overleed, kwam hij even gedag zeggen, voordat hij de wereld verliet. Ik was er stuk van, maar met het verdriet van het overlijden van mijn opa dat ik langzaam losliet, liet ik ook de haat jegens Japanners steeds meer varen.

Ik besefte me dat ik geen recht heb op de haat, het verdriet, de angst en de pijn van mijn grootouders. Zeker niet als mijn opa dat zelf nooit heeft willen voelen. Ik ga nog jaarlijks met veel plezier naar de concerten van Yamato en ik ben zelfs een keer de artiestenvoyer ingeslopen om in het Japans om handtekeningen te vragen. En toen ik in mei 2006, nog geen jaar na het overlijden van mijn grootvader, het Mutual Understanding Programme van de Japanse overheid ontdekte, dacht ik: ‘Zo opa, dat gaan wij eens even doen.’

Benieuwd naar de ervaringen van Charlie in Japan? Lees dan de Moesson van deze maand.

Charlie tijdens haar reis in Japan
Charlie tijdens haar reis in Japan

Achter de kawat – Charles Burki

Over de Japanse bezetting

Veel Indische jongeren die ik spreek, hebben vragen over de Japanse bezetting die hun ouders of grootouders hebben meegemaakt. Vaak krijgen zij er niet meer over te horen dan “Het was heel erg.” Gelukkig zijn op enkele plekken in Nederland antwoorden te vinden. Museum Bronbeek biedt de tentoonstelling Het verhaal van Indië, het Verzetsmuseum in Amsterdam heeft een speciale afdeling Nederlands-Indië. Voor jongeren die liever eerst thuis een en ander doorbladeren, is er het bijzondere en toegankelijke boek Achter de kawat van Charles Burki.

Herziene uitgave van de originele editie (1977)

Charles Burki (1909 – 1994), van als ik goed lees puur Hollandse komaf, werd in 1942 als krijgsgevangene van de Japanners in Bandung geïnterneerd. Burki was opgeleid als tekenaar en heeft het dagelijkse leven in het kamp in beeld te brengen. “De tekeningen die hij in het kamp in Bandung maakte, lagen vier jaar lang midden in de doorgang van een poortje begraven. Ze waren verpakt in hospitaal doek, vervolgens in een zinken bus, en dat weer in een teakhouten kist. Iedereen liep er overheen. In 1946 kreeg hij dankzij een oud-medegevangene zijn tekeningen weer in bezit,” aldus het Museon.

Het Haagse Museon, dat een collectie heeft over Nederlanders in Japanse kampen,  heeft de tekeningen opnieuw uitgegeven in een heruitgave van Achter de kawat, aangevuld met een verslag dat Burki na zijn tijd als krijgsgevangene schreef. Op 24 oktober 2010 sloot het Museon de tijdelijke expositie van de originele tekeningen. Het boek is een aanrader voor jongeren en andere (Indische) Nederlanders die een beeld willen krijgen van dat wat hun grootouders ze niet konden vertellen.

Het zal misschien het oog van de tekenaar zijn, waaraan wij als lezer de vele waardevolle details in zowel de tekeningen als het laagdrempelige, persoonlijke verslag te danken hebben. De heldere tekeningen zijn soms confronterend, dan weer gelardeerd met typisch Indische humor. De scherpte en de details ervan maken van een lezer een ooggetuige van het leven van dag tot dag in een van vele Japanse kampen in Indonesië. Ondanks dat een van mijn grootvaders mij wél een en ander verteld heeft, heeft het werk van Burki die verhalen verrijkt.

Hoe leefden mensen in Japanse kampen, bijvoorbeeld. Opgegroeid met verhalen over de Tweede Wereldoorlog in West-Europa, was mijn beeld van kampen bepaald door Auschwitz  en andere concentratiekampen. Dankzij Burki’s schetsen heb ik nu een indruk van hoe het in ‘de Oost’ was. Verder ben ik blij dat ik van Burki af en toe ook mocht lachen om wat er in het kamp gebeurde. Bijvoorbeeld in de spotprent van de jonkheer die ook in het kamp nog zijn eigen wagen had. De strip over het verspreiden van roddels in het kamp. Of het weekmenu (“Maandag: rijst met soep. Dinsdag: soep met rijst. Woensdag: rijstsoep…”).

Tekening uit Achter de kawat.(c) Erven Charles Burki

De humor staat in ontwapenend contrast met de eerlijkheid en directheid waarmee de tekenaar laat zien hoe geëxecuteerde gevangenen aan de kawat hangen, of een overlevende van Nagasaki in beeld brengt die zijn brandwonden schoongevroten ziet worden door maden. Humor is een manier om te overleven, begrijp ik. Om de boel niet al te serieus te nemen, zelfs wanneer dagelijks mensen voor je ogen overlijden.

Achter de kawat is niet alleen wonderbaarlijk vanwege de goed bewaarde en heldere tekeningen. Charles Burki is na het kamp (nog) twee keer aan de dood ontsnapt: na een torpedering van het schip dat hem op transport naar Japan had gezet, heeft hij tien dagen in open zee rondgedobberd. En in Japan heeft hij het bombardement van Nagasaki zien gebeuren en overleefd. Bovendien is de ex-krijgsgevangene  ook nog eens 85 jaar oud geworden.

Hoewel er in Azië verschillende Jappenkampen waren, waarvan het regime onder meer afhing van het kamphoofd, en er verschillende soorten gevangenen bestonden, geeft Achter de kawat Indische jongeren een kijkje ‘in de keuken’ waar geen geschiedenisboek tegenop kan.

p.s. Het is wat uit de buurt, maar mocht je ooit in Singapore zijn, ga dan eens naar het – kleine maar aangrijpende – Changi War Museum, over de Tweede Wereldoorlog in Azië.

De roots van Rutte

Hoe Indisch is het nieuwe kabinet? Verrassend genoeg heeft niet alleen Geert Wilders (PVV) Indische roots, ook premier Mark Rutte (VVD) heeft banden met Nederlands-Indië. Er ligt een nieuw klusje te wachten op dr. Lizzy van Leeuwen: na de wortels  van Wilders kan ze de roots van Rutte onderzoeken.

Mark Rutte. Fotograaf: Nick Ormondt/ VVD

Zeven kinderen
De vader van Mark Rutte was directeur van een handelsonderneming in Nederlands-Indië. Volgens Mark Rutte’s biografie op Wikipedia – ik geef toe dat het wetenschappelijk gehalte van mijn onderzoek het niet haalt bij dat van Van Leeuwen – overleed de eerste vrouw van zijn vader in Japanse gevangenschap. Uit dat huwelijk kwamen vier kinderen voort. Vader Rutte hertrouwde met de zus van zijn ex-vrouw en kreeg met haar nog drie kinderen, met als jongste telg Mark Rutte, die in Den Haag werd geboren in 1967.

Bescheidenheid
In het Algemeen Dagblad van zaterdag 29 mei 2010 stonden passages over de Indische roots van Mark Rutte. Op de vraag waarom hij op bescheidenheid de nadruk legt, zegt hij: “Mijn ouders hebben een paar keer in hun leven helemaal opnieuw moeten beginnen. Mijn vader zat in een Jappenkamp. Hij verloor zijn vrouw en bezat toen hij terugkwam alleen nog het pak dat hij aan had. Hij hertrouwde met de zus van zijn eerste vrouw, mijn moeder, ging terug naar Indonesië en bouwde een nieuw bestaan op. Totdat Soekarno iedereen eruit gooide in 1958. Weer moesten ze van voren af aan beginnen. Mijn vader ging hier werken bij eeen DAF-dealer. M’n ouders waren altijd heel nuchter over wat ze hadden. Ze gaven hun kinderen mee dat het belangrijk was te werken, bescheiden te blijven en er te zijn voor elkaar. Dat kreeg ik mee.”

Hoop
Bescheidenheid, nuchterheid, er zijn voor elkaar en hard werken. Zijn dit ook de kernwaarden van het nieuwe kabinet? Wordt dat de stijl van leidinggeven van de man die een wajangpop in zijn vrijgezellenflat heeft hangen? Ik ben benieuwd. Eén van de favoriete restaurants van Rutte is in ieder geval Poentjak in Den Haag: lekker ouderwets ingericht en met ‘pure Javaanse en Sumatraanse hoofdgerechten.’ Misschien is er toch nog hoop de komende vier jaar.