Dec
22

Ambonezen houden van Oranje

By Ed Caffin  //  Blogs, Indonesië, Op reis, Sport  //  1 Comment

Het vierde verhaal uit Indonesië schrijf ik in Ambon, de hoofdstad van de Molukken. Het gaat over de band van Ambonezen met Nederland en de liefde voor het Nederlands voetbalelftal.

Ambon, december 2008

door Ed Caffin

Aan de andere kant van de wereld ligt Ambon, een eiland met prachtige kusten waar elk plekje fotogeniek is. Het is moeilijk voor te stellen dat hier tot zo’n vijf jaar terug een burgeroorlog heerste die de bevolking van Ambon en de rest van de Molukken verdeelde langs religieuze lijnen. Godzijdank heerst er tussen moslims en christenen inmiddels weer vrede en is het in Kota Ambon weer druk en gezellig op straat. Op Jalan Pantai Mardika, waar tussen de marktkraampjes talloze bontgekleurde stadsbusjes, fietstaxi’s, voetgangers en scooters langs elkaar heen krioelen, hangt een geur van durian, zoetigheid en benzine. Ergens uit een winkel schalt een oude hit uit trillende speakers, en kinderen spelen in met regenwater volgelopen gaten in de weg. Hier en daar hangt al kerstversiering of wordt een kerstboom opgetuigd, terwijl vanuit de verte een muezzin oproept tot gebed.

Nadat ik vertel dat ik uit Nederland kom vraag ik Dedi Risakotta, de chauffeur van de ojek (brommertaxi) waar ik achterop zit, naar de betekenis van de muurschilderingen in de stad die iets te maken hebben met Nederland. De afgelopen dagen heb ik er al verschillende gezien: een oranje leeuw, of slechts de teksten Holland of Nederland. Er verschijnt een glimlach op zijn ronde gezicht en hij legt uit dat de mensen in Ambon gek zijn op het Nederlands elftal. “Als er een voetbalwedstrijd is, kijkt iedereen. We zijn hele grote fans van Oranje.” Tijdens een toernooi gaat het er hier fanatiek aan toe. “Na de verliespartij op het afgelopen Europees kampioenschap tegen Rusland wilde niemand hier meer een wedstrijd zien”.

Oranje schildering op straat in Ambon

Oranje schildering op straat in Ambon

Ondanks, of beter gezegd dankzij de bewogen geschiedenis hebben Ambonezen een lange en sterke relatie met Belanda. Iedereen in Ambon lijkt wel familie of vrienden te hebben in Breda, Sittard, Amsterdam of Woerden en voelt zich erg verbonden met Nederland. In totaal wonen er inmiddels enkele tienduizenden mensen van Molukse afkomst in Nederland, waarvan er velen hier op vakantie gaan. De Ambonezen verwachten over een aantal weken een hoop familie die hier de feestdagen komen vieren. Dedi zelf heeft familie in Assen. Een oom van hem woont daar met zijn gezin en kleinkinderen.

Terwijl we de stad uitrijden in de richting van Galala en Halong vermindert Dedi vaart om verder te vertellen over de Amboneze liefde voor Oranje. “Als het Nederlands elftal speelt, zie je vanaf Pasar Mardika tot hier Nederlandse vlaggen. De hele stad, en misschien zelfs wel het hele eiland hangt er vol mee. De wedstrijden zijn ‘s nachts dus mensen gaan overdag een paar uur slapen”. Vol ongeloof over de voor mij totaal onbekende tropische Oranje-koorts, meer dan tienduizend kilometer van Nederland, kijk ik om me heen. Hier en daar zie ik mensen lopen in een oranje T-shirt of broek. Het zal wel toeval zijn.

Een vrouw op straat in Ambon in een oranjeshirt

Een Ambonese vrouw in oranjeshirt

Dedi begint ondertussen te vertellen over het gewonnen EK van 1988. Hij zat toen nog op de lagere school maar herinnert zich het nog goed. “Dat was de tijd van Gullit, van Basten en Rijkaard!” roept hij. “Toen Nederland de finale won, vierden we overal feest”. Ik verbeeld me een tafereel dat in geen velden of wegen doet denken aan de beruchte boottocht langs de Amsterdamse grachten met uitzinnige landgenoten op zinkende woonboten: ik zie de chaotische straten van Ambon vollopen met joelende voetbalfans en toeterende auto’s, en door het dolle heen stromen mensen de witte palmenstranden op om in Oranje tenue een duik te nemen in de warme zee.

Als we bij het dorp Passo aankomen draaien we vanaf Leitimur, het zuidelijke gedeelte van het eiland, het noordelijke gedeelte Leitihu op. De lucht is donker en de miezerregen verandert langzaam maar zeker in een tropische bui. Onder een rij bananenbomen langs de kant van de weg vinden we een klein houten huisje waarvoor een paar brommertjes staan geparkeerd. Sigarettenrook kringelt langs het golfplaten dak waaronder een paar mensen al staan te schuilen; drie mannen en een vrouw die een slapende baby wiegt. Als we de brommer aan de kant hebben gezet maken ze plaats onder het afdak.

Zodra we droog staan praat Dedi verder over de Amboneze Oranje-liefde. “De Nederlandse voetballers zijn hier bekend en populair. Maar natuurlijk zijn Ambonezen extra trots op de voetballers van Molukse afkomst, zoals Simon Tahamata, Sonny Silooy en Giovanni van Bronkhorst” roept hij enthousiast door het geluid van de stortbui door. “In de tijd van Tahamata hingen overal in cafés in Ambon foto’s en posters van hem”. De kleine voetballer van onder andere Ajax zou tijdens zijn bezoeken aan Ambon ongetwijfeld bedolven zijn onder enthousiaste fans.

De muren van Cafe Sibu Sibu hangen vol met de portretten van Molukse-Nederlandse voetbal

De muren van Coffee Shop Sibu Sibu op Jalan Trikura hangen vol met foto's van Moluks-Nederlandse voetballers

Ook Dedi is uiteraard Tahamata- en Oranjefan. Hij vind het erg jammer dat het laatste Oranje-succes zo lang geleden is en dat geldt, geloof ik intussen wel, voor bijna iedereen op het eiland. Het is hoog tijd voor weer een kampioenschap wat hem betreft. Ik zou hier tijdens een wedstrijd wel een kijkje willen nemen: alleen al het feest in Ambon bij een gewonnen wedstrijd zal ongetwijfeld al meer dan de moeite waard zijn. Inmiddels zijn ook zijn kinderen ingewijd in de Oranje-liefde, vertelt hij trots. Met de kleine voetbalshirtjes die ze onlangs van familie uit Nederland kregen, zijn ze nu echte fans.

Als de regen eindelijk is opgehouden rolt Dedi de brommer vanonder de bananenbomen vandaan en gaan we weer op weg. Hij praat ondertussen ongestoord verder over Oranje. Hij is, net als de meeste Ambonezen, erg trots op de band met Nederland. “Omdat iedereen daar vrienden en familie heeft zijn we ook trots op het land”, legt hij uit. “De jongere generatie Molukkers daar is inmiddels eigenlijk bijna Nederlands”, zegt Dedi geamuseerd als we de haven van Tulehu in rijden, “de band met Nederland zal er voor altijd blijven”.

We stoppen vlak bij het strand en kijken uit over kalme zee. Aan de horizon zie ik een aantal kleine eilanden. Voor me zwemmen kleine, gekleurde visjes langs de houten palen van de aanlegsteiger, en dobbert een klein bootje in het water. Als de jonge Molukse Nederlanders hier op bezoek komen zullen zij het zonder twijfel fantastisch vinden. Ambon is namelijk, met of zonder Oranje-koorts, een plek om van te houden. En daar kan geen gewonnen voetbalkampioenschap tegenop.

Meer zien en lezen over Ambon? Zie http://www.ambon-manise.com (bahasa indonesia), http://www.websitesrcg.com/ambon/ (engels) of surf naar http://maluku.startpagina.nl/

Dec
16

Met Indisch 3.0 naar Indische filmmiddag

By Indisch 3.0  //  Documentaires, Nieuws van I3, Speelfilms  //  4 Comments

Den Haag, 16 december 2008
door Kirsten Vos

Op 11 januari 2009 kunnen we de twee Indische documentaires Contractpensions en Het jaar 2602 in vier filmtheaters in Nederland zien. Indisch 3.0 heeft samen met de Nederlands-Indiëhyves en Darah Ketiga een aantal plaatsen gereserveerd in het prachtige Tuschinski-theater in Amsterdam.

Kaarten kosten € 24 per stuk (incl. koffie/ spekkoek en pauzedrankje) en zijn alleen voor het gehele programma te krijgen, dat er als volgt uitziet:
12.30 Verzamelen
13.00 Introductie
13.30 – 15.15 Film ‘Het jaar 2606
15.15 – 16.00 Pauze met verkoop hapjes uit de Indische keuken
16.00 – 17.15 Film ‘Contractpensions
17.45 – circa 20.00 uur Eten in restaurant l’Opéra

Na afloop kunnen we gezamenlijk een hapje gaan eten. Als je mee wil eten, mail dan zo snel mogelijk naar melati74@gmail.com. Dan kunnen we een groepsreservering gaan maken. 

De documentaires zijn op 11 januari 2009 ook te zien in Pathé Buitenhof (Den Haag), Pathé Schouwburgplein (Rotterdam) en Pathé Groningen (Groningen). Wil je liever naar een van die voorstellingen? Meld je dan aan via events@pathe.nl of bel naar telefoonnummer 020-625 85 81. 

Het jaar 2602

Het jaar 2602

Het jaar 2602 – André van der Hout en Linda Lyklema.
Kinderverhalen uit het jappenkamp.
Begin 1942 bezet Japan Nederlands-Indië. De Nederlanders moeten gehoorzaamheid zweren aan de Japanse keizer. Volgens de Japanse kalender is het nu het jaar 2602. In de film vertellen de kinderen van weleer, toen tussen 4 en 18 jaar, wat ze hebben meegemaakt in de Japanse Interneringskampen tijdens WOII. Kinderogen kijken onbevangen het kamp in, weldra zijn honger, dood en gelaarsde soldaten net zo gewoon als handklapversjes en verstoppertje. Dit zijn persoonlijke getuigenissen van ontberingen en trauma’s, maar ook van overlevingskracht, inventiviteit en kinderlijke verbazing. Het jaar 2602 is geproduceerd door Holland Harbour.
Voor meer informatie: www.japanseburgerkampen.org

Contractpensions

Contractpensions

Contractpensions/ Djangan Loepah! – Hetty Naaijkens – Retel Helmrich
Na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië moesten (Indische) Nederlanders nood-gedwongen Indonesië verlaten. Velen werden tijdelijk opgevangen in zogenaamde contractpensions. Als handleiding voor hun nieuwe bestaan kregen de nieuwkomers een losbladig, paternalistisch opgesteld boekje, getiteld: ”Djangan Loepah” (‘Niet vergeten’). In deze film vertellen repatrianten, verspreid over de hele wereld, voor het eerst vrijuit over hun ervaringen met de opvang in het naoorlogse Nederland en de Nederlandse burgerlijkheid. Het boekje vormt hierbij de rode draad. De interviews die vaak met heel veel humor worden gebracht, worden afgewisseld door verhelderende filmjournaals en prachtige, pas ontdekte en nooit eerder vertoonde filmbeelden van het leven in Indië van vóór de oorlog. Contractpensions is het debuut van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich als regisseur. Ze produceerde eerder voor Scarabeefilms o.a. Stand van de maan en De Stand van de Zon.
Voor meer informatie: www.contractpensions.nl

Dec
9

De lach van Sa’ih

By Ed Caffin  //  Blogs, Indonesië, Op reis, Politiek  //  11 Comments

Het derde verhaal uit Indonesië gaat over de behoefte aan erkenning, excuses en compensatie van tien Indonesiërs, en in het bijzonder Pak (vader/meneer) Sa’ih, die de Nederlandse staat aanklaagden voor de moord op hun dierbaren en andere bewoners van het toenmalige Rawagede door het Nederlandse leger op 9 december 1947.

Ter verantwoording: Het verhaal als geheel is gebaseerd op verschillende aangehaalde artikelen, gesprekken met betrokkenen (waaronder Pak Sa’ih) en mijn ervaringen in het dorp, dat ik in oktober bezocht.

Indonesië, december 2008

door Ed Caffin

Vandaag wordt in Balongsari, West-Java, de massamoord herdacht die het Nederlandse leger hier precies 61 jaar geleden beging. Als het goed is, is de Nederlandse ambassadeur in Indonesië aanwezig bij die herdenking. Misschien staan ze wel naast elkaar; ambassadeur Nikolaos van Dam en Pak Sa’ih Bin Sakam, de enige overlevende van de slachting, beiden stilzwijgend kijkend naar het grote, sobere monument. Erachter, net zichtbaar vanaf de weg, liggen de graven van de honderden onschuldige mannen die werden doodgeschoten.

Op 9 december 1947 was het leger op zoek naar een Indonesische vrijheidsstrijder die zich de dag ervoor nog schuilhield in het dorp, dat toen Rawagede heette, en toen ze hem niet konden vinden executeerden zij vervolgens meedogenloos de meeste mannen en jongens uit het dorp, in totaal meer dan 400. Velen van hen waren jong, zoals Sa’ih, tieners en twintigers nog. Hij, nu 87 jaar, overleefde het bloedbad door puur geluk: de kogels misten zijn vitale organen en terwijl hij zich stilhield tussen de lijken, verdwenen de soldaten langzaam uit het dorp.

Sa’ih zit elke dag op een stenen bankje voor het monument, zijn ogen glinsterend vanonder zijn zwarte, vilten hoed. Een glimlach siert zijn oude gezicht. Vandaag is hij vast en zeker prominent aanwezig bij de herdenking rond het monument. Ik vraag me af of hij weet heeft van het politieke gesteggel in Nederland met als uitkomst dat dit jaar de ambassadeur bij de herdenking aanwezig is. Zelf had hij het liefst gezien dat de soldaten van toen waren terugkomen om samen te herdenken. Verlangend naar verzoening had hij dat, samen met de andere nabestaanden, gevraagd. De Nederlanders zijn namelijk meer dan welkom hier.

Ik vraag me ook af of hij weet dat de “kwestie Rawagede” in Nederland jarenlang werd verzwegen, ontkend en gebagatelliseerd, totdat in augustus van dit jaar een groep nabestaanden, waaronder hijzelf, de Nederlandse staat aanklaagden. Zou hij weten dat een aantal politici vindt dat Nederland geen excuses moet maken omdat het immers “al zo lang geleden is”? En zou hij het veelgebruikte argument begrijpen dat als hiervoor excuses worden aangeboden “er dan wel meer gebeurtenissen zijn waar excuses voor kunnen worden gemaakt?”

Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp

Pak Sa'ih te midden van kinderen in het dorp

In het dorp is de Nederlandse discussie in elk geval geen issue. Er zijn hier, zoals eerder al helder verwoord in een recent artikel van NRC-correspondent Elske Schouten over de kwestie Rawagede, genoeg andere zorgen. Er is niet veel perspectief; de meeste mensen leven eenvoudig en hebben weinig geld. Veel jongeren uit het dorp maken lange dagen in een nabij gelegen fabriek of zijn jaren van huis om in het Midden-Oosten te werken. Van het daar verdiende geld wordt hier een huis gebouwd en gezorgd voor de ouderen.

Toch kwam voor de groep nabestaanden, die allen hoogbejaard zijn, deze zomer het moment dat zij een zaak wilden maken, daarbij aangemoedigd door de stichting Rawagede, die zich onder leiding van voorzitter Sukarman inzet voor het behoud van de herinnering aan de tragedie. Geholpen door het Comité Nederlandse Ereschulden, en juridische kennis uit Nederland stellen ze in de aanklacht de Nederlandse staat aansprakelijk voor de moorden en eisen zij excuses, erkenning en een schadevegoeding.

Het is voor het eerst dat Nederland aansprakelijk wordt gesteld voor misdaden gepleegd tijdens de jaren van strijd tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Ook de Republiek Indonesië heeft de Nederland staat namelijk nooit aangeklaagd: ook hier zijn de gebeurtenissen uit die tijd lang verzwegen of ontkend.

Onder meer het NRC publiceerde sinds augustus verschillende artikelen over de kwestie, zoals dat van Elske Schouten. In een column gaat haar collega Frank Vermeulen in op de uitlatingen van VVD-er van Baalen, aanvoerder van het “geen excuses want te lang geleden – kamp”. Het artikel gaat verder in op de (op dat moment nog aanstaande) Nederlandse parlementaire delegatie die in oktober in Indonesië was, het dorp te bezoeken. Vermeulen vraagt zich af of Nederland uiteindelijk toch het goede zou doen, namelijk praten met de nabestaanden en excuses maken?

Het loopt anders. De delegatie besluit niet af te reizen naar het dorp. Uiteindelijk spreken drie parlementariërs alsnog met een aantal nabestaanden, waaronder Sa’ih, in een hotel in Jakarta. Een van de drie, Harry van Bommel, krijgt van van hen het verzoek om Nederlandse militairen naar de eerstvolgende herdenking te sturen zodat zij hen, 61 jaar na dato, vergeving kunnen schenken. Resultaat: op 18 november stemt de kamer in met het voorstel van van Bommel om de ambassadeur te sturen. Van Bommel roept veteranen op om zelf naar de herdenking te gaan.

De stichting Rawagede verwacht vandaag echter geen veteranen, en dus zullen Sa’ih en de anderen vandaag, ondanks hun wens, genoegen moeten nemen met de aanwezigheid van de Nederlandse ambassadeur. Erkenning en excuses komen er voorlopig ook niet, en bovendien verklaarde de landsadvocaat van Nederlandse staat, op 24 november jongstleden, de financiële claim verjaard. Eens te meer blijkt er een te grote afstand tussen wens en realiteit.

Morgen, dan zit Sa’ih gewoon weer op zijn bank en lacht hij van onder zijn zwarte, vilten hoed. De herinnering aan de tragedie heeft van hem geen bittere oude man gemaakt. Aan het einde van zijn leven verlangt hij, zo stel ik me voor, alleen nog naar verzoening. Want, daar ben ik van overtuigd; Sa’ih hoeft niet meer te leren vergeven. Zijn lach verklapt dat er geen wrok heerst in zijn hart. Hij vraagt slechts om excuses, om ze te kunnen accepteren.

Op de website van het Comité Nederlandse Ereschulden (voorzitter Batara Huta Galung), die streeft naar verzoening tussen Nederland en Indonesië, zijn artikelen verzameld over de kwestie: http://indonesiadutch.blogspot.com


Nov
30

Ons Indisch Erfgoed: want verliefdheid maakt blind

By Kirsten Vos  //  Boeken, Politiek, Recensies  //  55 Comments

Den Haag, 30 november 2008
door Kirsten Vos

lizzyvanleeuwen
Cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen geeft Nederland een nieuwe bril om naar de Indische cultuur te kijken, in Ons Indisch Erfgoed – zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. In dit eerste deel van een driedelige serie over postkoloniale geschiedenis in Nederland, betoogt ze dat Nederland vooral door een roze bril naar de Indische cultuur wilde kijken. Deze visie verdrong de noodzaak om ongekleurd de politieke en maatschappelijke consequenties te bezien van de voormalige kolonisatie van Nederlands-Indië. Hiervoor biedt de Indische Van Leeuwen in vogelvlucht een historisch overzicht en zoomt ze in op de ontwikkeling van Indo’s en totoks in de Nederlandse maatschappij. De nieuwe invalshoek die hieruit volgt, maakt van Ons Indisch Erfgoed een belangrijk document, ondanks slordigheden in de tekst.

Die slordigheden beginnen al op de eerste pagina. ‘Ruim zestig jaar na de Indonesische soevereiniteitsoverdracht…’. Die overdracht vond plaats in 1949, we leven nu in 2008 en hoezo Indonesische? Een andere kanttekening is dat Van Leeuwen het NSB-lidmaatschap van Indische Nederlanders te weinig uitlegt. Ook doet zij voorkomen alsof Tjalie Robinson een populaire Indo was, terwijl ik vooral gehoord heb dat veel tweede generatie Indo’s zijn boeken niet mochten lezen van de eerste generatie.

Het duurt een tijdje voordat Van Leeuwen’s inzet me raakt: Indo’s hebben hun identiteit altijd ingevuld op basis van de manier waarop de blanke bovenlaag omgegaan is met zijn (post-)koloniale bagage. Aangezien de Nederlandse samenleving er nog steeds bij gebaat is een rooskleurig beeld neer te zetten van haar koloniale verleden, is er alleen ruimte voor lekker Indisch eten, de on-Nederlandse gastvrijheid, exotische Indische meisjes en een paar Indorockers. Geluiden die van dit nostalgische beeld afwijken, komen niet aan bij de gemiddelde Nederlander: die passen niet bij het beeld van de Indische wereld waar zij mee opgegroeid zijn.

De cultureel antropologe bouwt dit betoog zorgvuldig op. De Nederlandse regering weigerde stelselmatig haar staatsburgers uit de voormalige kolonie hetzelfde rechtsherstel voor de oorlog te geven als zij aan haar ‘eigen’ burgers had gegeven. De uitkeringen die volgden waren voor velen te laat en inhoudelijk ongelijkwaardig van opzet. De roep om gelijkstelling hield aan, tot vorig jaar, maar Nederland was tegen die tijd al verliefd geworden op de Indische cultuur. Ongelijkwaardige behandeling van het object van hun affectie paste niet in het blikveld van de roze bril.

Door de Japanse bezetting waren Indo’s en totoks voor de gemiddelde Nederlander gelijk aan elkaar geworden. Die zag niet de talloze verschillen tussen en binnen deze twee groepen, maar alleen de gelijkwaardigheid van de ervaring van het Japanse kamp (daarbij de buitenkampers, overwegend Indo’s, negerend). Indo’s en totoks hebben, eenmaal in Nederland, met elkaar geconcurreerd om het ‘eigendom’ van de Indische erfenis. Totoks vervielen in nostalgische liefdesverklaringen aan het prachtige landschap van ‘Insulinde’ en beantwoordden daarbij aan de in Nederland levende behoefte aan romantisering van het bezit van Nederlands-Indië. Indo’s beriepen zich op hun gemengde afkomst en claimden daarmee de Indische cultuur voort te kunnen zetten: hun kinderen en kleinkinderen waren Indisch, die van totoks werden Nederlander. De totokvisie heeft volgens velen deze strijd gewonnen.

Van Leeuwen stelt dat de roze bril in stand gehouden werd door het uitblijven van een postkoloniaal debat over de vraag wat Nederland nu moest vinden van haar koloniale erfenis. Dit debat is volgens haar in andere landen zoals Frankrijk en Engeland wel gevoerd. Wat ik daarom mis in Ons Indisch Ergoed is een beschrijving van deze debatten en de betekenis die zij hebben gehad voor de opname van postkoloniale groepen in die landen. Dat had van het boek niet alleen een document met een nieuwe visie gemaakt, maar ook één met concrete aanbevelingen. Want Ons Indisch Erfgoed gaat verder dan aantonen dat Indo’s behandeld zijn als tweederangs burgers door een Nederlandse overheid die liever de andere kant opkeek. Het laat zien dat mainstream Indo’s nog steeds niet geëmancipeerd zijn tot volwaardige burgers met een eigen plek in de Nederlandse samenleving: Nederland, die grootste, eensgezinde natie, hoort alleen geluiden die bijdragen aan het verheerlijken van een spannende Indische cultuur met lekker eten.

Nu pas snap ik de eerste zin van het boek, ondanks de onjuiste inleiding: Nederland is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn koloniale geschiedenis. Het heeft een aantal decennia geduurd voordat Nederland mondjesmaat toegaf dat dit land in de Tweede Wereldoorlog relatief de meeste Joodse slachtoffers heeft opgeleverd. Hoe lang zou het nog duren voordat Nederland bekent dat het een half miljoen staatsburgers stelselmatig genegeerd heeft?

Ons Indisch Erfgoed. Zestig jaar strijd om cultuur en identiteit. Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2008. Paperback, 400 pagina’s.

Bestel het boek

Nov
23

“Indo” in Indonesië!

By Ed Caffin  //  Blogs, Indonesië, Op reis  //  21 Comments

Het tweede verhaal uit Indonesië schrijf ik in Bandung. In de tijd dat Indonesië nog Nederlands-Indië heette was dit een echte Indische stad met een grote Indische gemeenschap.

Bandung, november 2008

door Ed Caffin

Bandung, de vierde stad van Indonesië, ligt zo’n 300 kilometer ten zuidoosten van Jakarta en heeft een wat zachter klimaat. In de heuvels rond de stad is het zelfs koel ‘s nachts. De stad had ooit een grote Indische gemeenschap en nog steeds wonen hier een paar honderd Indische mensen. De meesten hebben de Nederlandse tijd meegemaakt en spreken de taal ook nog, maar zijn inmiddels zo goed als bejaard. “Indisch” sterft hier daarom langzaam maar zeker uit. Indo’s, mensen met een gemengde Westerse-Indonesische achtergrond zijn er echter genoeg. En velen van hen zijn bekend.

Begin vorige eeuw had Bandung, dat toen ook wel het ‘Parijs van Java” werd genoemd, niet alleen een grote Indische gemeenschap, maar woonden hier ook veel Indonesische intellectuelen. Bovendien ontwikkelde de latere president Soekarno mede hier zijn nationalistische denken, en richtte hij in Bandung hier in 1928 de Partai Nasional Indonesia (PNI) op, die als doel het stichten van een onafhankelijk Indonesia had.

Rijdend door de grote, drukke stad, die een vergelijking met Parijs al lang niet meer doorstaat, kijk ik wat rond op straat. Tussen de vele reclameborden langs de kant van de weg, zie ik hier en daar dingen die me doen denken aan een vervlogen Indische tijd. Er is een “Holland Bakery” -al weet ik niet of die überhaupt iets met Nederland te maken heeft- en ik zie een bord met “Haagse klappertaart” erop; een oude Indische lekkernij. Er staan ook nog veel oude Nederlandse gebouwen overeind, al is het meestal wel vergane glorie.

iklanluna4Even later zie ik een opvallend billboard. Een prachtige vrouw in een fel oranje pakje prijst een telefoonabonnement aan. De vrouw heet Luna Maya, weet ik, een van de populairste sterren in Indonesië. Volgens een lokaal blad heeft ze een relatie met een zanger uit Bandung. Bovendien las ik dat ze een Javaanse moeder en Oostenrijkse vader heeft. Die gemengde achtergrond maakt haar een “Indo”.

De term “Indo” bestaat al lang in Indonesië, maar verwijst tegenwoordig in het algemeen naar “mixjes”, zoals Luna Maya, en niet meer exclusief naar de Indo-Europeanen of Eurasians van de vroegere kolonie. Als het over een “Indo” gaat, dan wordt vooral iemand bedoeld met een Indonesische en een Westerse ouder. Hoewel er nog veel oudere Indischen in Indonesië wonen die zich “Indo” noemen, zijn hun kinderen, jonge Indonesiërs met een Indische achtergrond, net als hun leeftijdsgenoten in Nederland geïntegreerd in het nieuwe land. De meesten voelen zich vooral Indonesiër.

Met mijn Indische vader en Nederlandse moeder ga ik in Indonesië sowieso als Indo door het leven. En er zijn ook nog andere grappige namen voor “mengbloeden”, zoals blasteran, Gado-Gado en campuran, wat allemaal ongeveer mix of mengsel betekent. Voor Indo’s uit Nederland zijn er zelfs nog specifieke bijnamen, zoals “Indobel” (een samenvoeging van Indonesia en Belanda) en, mijn persoonlijke favoriet: “belanda goreng”.

Het woord “Indo” is hier inmiddels, net als in Nederland, niet meer zo beladen als het ooit was. Het sociale stigma rond mengbloeden uit de koloniale tijd lijkt -bij de jongere generatie in ieder geval- verleden tijd. Sterker nog: Indo-zijn is tegenwoordig iets om trots op te zijn. Als “Indo” in Indonesië heb je namelijk op de een of andere manier een streepje voor. Naast Luna Maya zijn nog heel veel andere Indonesische sterren Indo, zoals Cinta Laura, Rianti Catwright, Carissa Putri, Cathy Sharon, Steve Imanuel en Ari Wibowo. En er zijn (ook jaren geleden al) Indischen die het als ster hebben gemaakt in Indonesië. Kort geleden is er een Nederlandse zangeres met Indische achtergrond doorgebroken, Rebecca Reijman. Ontdekt op vakantie in Bali, hoorde ik.

Ik vraag regelmatig waarom Indo’s snel bekend worden. Ze hebben iets speciaals en zijn vaak heel knap, hoor ik vaak als verklaring. Zou dat het zijn? Het “blanke schoonheidsideaal” dat in Indonesië en veel andere landen in Azië heerst, zal er zeker wel iets mee te maken hebben; “opposites attract” of zoiets.

Nou, stiekem vind ik het toch eigenlijk wel wat. Ik bekijk me zelf eens in de spiegel: hm, zou ik kans maken bij een auditie als nieuwe Indo-ster in Indonesian Idols? Moet ik alvast het zingen oefenen tijdens het mandi-en? Maar ja, je moet natuurlijk ook wel een beetje talent hebben. Playbackend misschien?

Nov
16

Indomania 3: waanzinnig chaotisch huiskamergevoel

By Kirsten Vos  //  Identiteit, Lezing & debat, Reportages  //  34 Comments

indomaniaDen Haag, 16 november 2008
door Kirsten Vos

Dit is een lange blog. U vindt hier namelijk ook de tekst die Marscha Holman en ik uitgesproken hebben op Indomania 3. Overigens – de vraag waar wij daar mee eindigden, is ook aan u gericht.

Het was er warm, in Rob Malasch’ galerie in Amsterdam, het strijdtoneel van Indomania 3 dat op 15 november plaatsvond. Het was te druk, de akoestiek was slecht, de pijpelaruimte was ontoereikend voor de opkomst, het TL-licht was ongezellig en het ‘postkoloniaal debat’ was niet te volgen. Het duurde lang voordat we konden eten omdat er nog geen bestek was. De vertoning van Hetty Naaijkens’ Contractpensions vond ik te kort. Er waren te weinig stoelen. De live-band was Nederlands. Halverwege de avond ging het personeel op pad voor extra bier. Binnen een paar uur was de rode wijn op en de fles champagne die ik zou krijgen als bedankje is uitgeschonken aan de gasten. Kortom: Indomania 3 was waanzinnig chaotisch. Maar desondanks vond ik het vooral erg gezellig.

Rond half vijf arriveerde ik bij de tot ‘eventvenue’ omgetoverde Serieuze Zaken. Een in uniform geklede heer heette me welkom. Malasch’ collectie had plaatsgemaakt voor het ‘uit de geheime voorraad van Frans Leidelmeijer’ koloniale art-deco meubilair, tekeningen van onder meer illustrator en striptekenaar Peter van Dongen en: heel veel mensen. Te koop waren t-shirts van Indomania 3, werk van Herman Keppy, van Alfred Birney en van Peter van Dongen, Indische saucijzen van Van Olphen, Indische hapjes als lemper en risolle en natuurlijk wijn, bier en fris.

Op het programma stonden een debat over de Indische producties die de afgelopen maanden uitgekomen zijn en een optreden van Marscha Holman en mijzelf. Onder leiding van Ricci Scheldwacht en Herman Keppy probeerden enkele prominenten het debat te voeren, over het boek Ons Indisch Erfgoed (Lizzy van Leeuwen) en de film Ver van familie (Marion Bloem). Door de gebrekkige akoestiek, maar ook de vorm van het debat, was dit helaas nauwelijks te volgen. Een interventie van de in het publiek aanwezige Theodor Holman kon daar weinig aan veranderen.

Na dit debat betraden Marscha Holman en ik het podium. Wij waren gevraagd ‘iets over de derde generatie’ te vertellen en dat hebben we, binnen onze mogelijkheden, gedaan. De reacties – van het publiek dat het kon horen – waren bevrijdend. Nee, we hoeven ons niet schuldig te voelen omdat we geen botol tjebok hebben, of omdat we niet op zoek zijn naar erkenning voor ‘de’ Indische zaak. We mogen gewoon ons eigen pad vinden in de Indische wereld. In de discussie daarna stelde Ricci Scheldwacht me een leuke vraag. “Je zet je niet af tegen de eerste generatie. Zet je je wel af tegen de tweede?” Op dat moment realiseerde ik me dat ik me vooral afzet tegen de Indische kruistocht voor erkenning, die absoluut niet generatiegebonden is.

Indomania 3 vond ik ongedwongen en vrij. Ja, organisatorisch was er een hoop ruimte voor verbetering. De locatie was rampzalig voor de opkomst. En wellicht ben ik dit keer niet helemaal objectief, omdat ik een rol speelde in het programma. Maar tekenend voor de sfeer vond ik de mannen en vrouwen die, Indisch en niet-Indisch,  vrolijk dansten op de muziek van de dj. En de mensen die, net als bij uitgebreide kumpulans thuis, dwars door elkaar heen tevreden zaten te eten.

‘De’ derde generatie op Indomania 3
door Marscha Holman en Kirsten Vos

De derde generatie Indische Nederlanders. Volgens het CBS bestaat die niet. In berekeningen die het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte voor het uitkeren van het Gebaar, hield de demografie van Indische Nederlanders op bij de tweede generatie. Marscha Holman, columniste van Moesson, en Kirsten Vos, columniste van Archipel en beheerder van de weblog Indisch 3.0, beiden leden van deze derde generatie, zijn voor de Nederlandse overheid dus gewoon Nederlanders. De laatste tijd horen deze twee “Nederlanders met Indische wortels” steeds vaker ‘De Indische cultuur sterft uit’ en ‘Echte Indo’s bestaan niet meer’. De voorwaarden voor een existentiële crisis voor onze derde generatie zijn dus overtuigend aanwezig. Vanuit de eigen groep horen ze bovendien soms dat ze niet echt Indisch zijn. Toch willen Marscha en Kirsten met hun Indische wortels meer dan nasi goreng leren maken. Daarbij  merken ze dat mensen vooral van hen willen horen dat het Indische zoals dat ooit bestond wél in hen voortleeft. Of dat is wat ze zelf met het Indische willen en kunnen, horen we nu, in een levende column. Na afloop willen ze van u weten of dit is wat u wilde horen.

MARSCHA (gericht op het publiek): Vorige week maandag hadden we alleen nog geen flauw idee wat we wilden zeggen.
[Kirsten pakt haar telefoon.]
KIRSTEN: Hi, met Kirsten, stoor ik?
MARSCHA: Nee, ja…ehh nee. Wacht, ik zet even het gas onder de hutspot laag.
KIRSTEN: Oké. Lekker hè, die aardappelen, als het zo koud is buiten. Ben je zover?
MARSCHA: Ja!
KIRSTEN: Heb je gezien dat jij samen met mij op Indomania iets gaat doen over de derde generatie? Wij vertegenwoordigen namelijk de derde generatie Indische Nederlanders. Ze willen weten waar die mee bezig is.
MARSCHA: Ja, ik zag het. Leuk, denk ik. Maar wij zijn toch geen Ambassadeurs van de derde generatie? Wij maken hutspot! We verzinnen wel iets,  als we maar niet een soort act gaan doen als de nichtjes van tante Lien, vol tempodoeloe. Nee, niet te veel tempodoeloe, we moeten wel een tegengeluid geven.
KIRSTEN: Ja, in elk geval een eigen geluid. We zijn de derde generatie dus we zullen met iets verfrissends moeten komen. Wanneer zullen we het daarover hebben?
MARSCHA: vrijdag?
[Marscha en Kirsten draaien zich naar elkaar toe, nu met hun gezichten schuin naar elkaar toe. Ze begroeten elkaar.]
MARSCHA: Kan je dat idee dat je mailde, van dat toneelstuk, nog eens uitleggen?
KIRSTEN: Nou het idee was als volgt. We noemen het ‘Marscha en Kirsten in de wondere wereld die Indisch heet’. En het wordt dan een uitermate vrije interpretatie van het wayangspel die waarschijnlijk nooit tot ons  Indisch erfgoed gaat behoren.
MARSCHA: Sorry hoor, maar wat is in vredesnaam een wayangtheater??? Ik schaam me nu al dood, deze vertegenwoordiger van de derde generatie weet niks. Ik ben geen echte indo…
KIRSTEN: Niet aanstellen, je bent Indisch, want je vader is een Indische jongen. Hij schrijft Indische boeken nota bene, dat weet iedereen.
MARSCHA: Laat het hem niet horen…. Maar goed, ik heb nog wel een oud laken op zolder liggen voor het wayangspel? Kunnen we dat ook prettig voor ons gezicht houden, ik kan namelijk totaal niet acteren.
KIRSTEN: Ik ook niet. Dat is toch wel een vereiste ja. Niets zo erg als kijken naar een toneelstuk met mensen die niet kunnen acteren. Laat dat wayang idee dan ook maar zitten.
MARSCHA: Misschien moet jij het maar alleen doen, Kirsten. Jij bent hier veel beter in. Jij kent veel meer mensen, indomensen; jij bent echt een betere Indo dan ik.
KIRSTEN: Marscha, zeur niet zo. Zo wordt het niks. Jij denkt echt dat de Indische Gemeenschap zich bij een soort club heeft aangesloten hè?
MARSCHA: Ja, de club van ‘mij is onrecht aangedaan – ik ben slachtoffer – en ik wil erkenning’…
Kirsten: O je bedoelt de club waar iedereen altijd te laat komt?
Marscha: Precies, de club waar iedereen door elkaar heen praat
Kirsten … en niemand luistert.
MARSCHA: waar iedereen een botol tjebok gebruikt
KIRSTEN: en waar alle vrouwen altijd een zakdoekje met eau de cologne bij zich hebben.
MARSCHA: Waar iedereen Brandend Zand kan meezingen
KIRSTEN: en waar niemand kritiek op elkaar mag hebben.
MARSCHA: Maar wel heeft.
KIRSTEN: De club waar iedereen alles repareert met plakband of een elastiekje. En waar iedereen alles eet met suiker of sambal.
MARSCHA: de club waar iedereen fenomenaal Indisch kan koken
KIRSTEN: EN niet te vergeten, waar iedereen geweldig gitaar kan spelen.
MARSCHA: en waar iedereen een abonnement op Moesson heeft
KIRSTEN: Op Archipel.
MARSCHA: ET cetera… Ja precies, die club bedoel ik. Enige club…
KIRSTEN: Nee, ik kan me niet voorstellen dat Indische mensen zich bij zo’n club aangesloten hebben. Ik zou dat zeker niet willen.
MARSCHA: ik al helemaal niet.
KIRSTEN: Ik vraag me überhaupt af of er ook maar één Indo is die voldoet aan al deze ‘regels’. De Indische Gemeenschap – als die al bestaat – is echt niet zo homogeen als jij denkt.
MARSCHA: Nee, ik geloof je wel; jij en ik verschillen al zo veel. Jij hebt twee Indische ouders en ik één (die dat ook maar al te graag ontkent – wat dan weer heel Indisch schijnt te zijn). Jij blogt er elke twee weken over, ik ben nog nooit in Indonesië geweest en jij, jij voelt je er thuis.
(beiden vallen stil)
KIRSTEN: Sowieso, die regels waar we het net over hadden; die slaan eigenlijk vooral op de eerste generatie.
MARSCHA: Maar, bij Indomania vinden ze dat heerlijk om weer even te horen hoor. Laten we iets met die club doen, lachen.
KIRSTEN: Ja maar hallo, wij zijn hier uitgenodigd om het over de DERDE generatie te hebben, Marscha.
MARSCHA:  O ja. Wat zijn onze eigen ‘regels’ dan? Hebben we die al?
KIRSTEN: We kunnen zeggen dat we naar Hot Indo Parties gaan.
MARSCHA: En elke dag krabbels zetten op de 38 hyves over Indo’s.
KIRSTEN: over waarom het beter is om een relatie te hebben met een Indo dan met een Nederlander.
MARSCHA: Ik heb een relatie met een Molukker.
KIRSTEN: Oh. (stilte). Die heb je hoop ik wel thuis gelaten?
MARSCHA: Euh, ja. We kunnen het ook over tattoo’s hebben
KIRSTEN: EN natuurlijk alleen maar praten met Indo’s.
MARSCHA: en dan bahasa leren en alleen maar zo nog met elkaar praten
KIRSTEN: Hmm. Het enige dat ik daarvan weet is adoe.
(korte stilte)
MARSCHA: Goed, dat schiet lekker op, volgende week willen ze al horen waar het heengaat met de Indische cultuur. En we hebben nog geen idee, we zijn net begonnen met Indisch zijn.
KIRSTEN: Wat vindt u, heeft u het geluid van ‘de’ derde generatie gehoord?

Nov
5

Kirsten Vos en Marscha Holman op Indomania 3

By Indisch 3.0  //  Blogs, Lezing & debat, Parties  //  1 Comment

Den Haag, 5 november 2008

indomania3Kan je eigenlijk wel spreken van ‘de’ derde generatie Indische Nederlanders? En wat vindt deze generatie dan van ‘het Indische’? Welke plek zien zij voor zichzelf binnen het Indisch erfgoed? Deze vragen en meer brengen Kirsten Vos (Indisch 3.0, Archipel Magazine) en Marscha Holman (Moesson) in onverwacht verfrissende vorm ter sprake tijdens Indomania 3 op 15 november a.s. in Amsterdam.

Vos: “Na het overlijden van mijn laatste grootouder, kreeg ik het gevoel dat Indisch verleden tijd was. Het beeld van een oude Indorocker op het Tong-Tongpodium versterkte dat. Pas sinds ik me er actief mee bezig hou, voel ik me zelf Indisch.” Holman: “Ik krijg soms het gevoel dat mijn Indische achtergrond een hoop verplichtingen en verwachtingen met zich meebrengt. Zo zie ik mijn achtergrond liever niet. Ik zal aan de meeste verwachtingen toch niet kunnen voldoen.” Ed Caffin, Vos’ medeblogger op Indisch 3.0, tijdelijk vanuit Indonesië: “Iemand van de jongere generatie Nederlanders met Indische achtergrond vraagt zich ooit wel eens af waar hij precies uit voortkomt. Dan is het belangrijk goede antwoorden te krijgen.”

Het thema van Indomania 3 is ‘Lekker Indisch eten’. De organisatie is traditiegetrouw in handen van Rob Malasch en Frans Leidelmeijer. Naast het optreden van Kirsten Vos en Marscha Holman in het programma van Indomania 3, verzorgen Herman Keppy en Ricci Scheldwacht een ‘postkoloniaal debat’ over het Indisch Erfgoed met diverse prominente gasten en bespreken Rob Malasch en Ricci Scheldwacht ‘de nieuwe herfst aan Indische letteren’. Malasch heeft het Haarlemse restaurant De Lachende Javaan gevraagd een haute cuisine variant van Indisch eten te serveren.

Voor meer informatie en aanmeldingen voor Indomania 3 (10 euro per persoon exclusief eten) ga je naar www.indomania.nl of bel je met (020) 427 57 70. Reserveren verplicht.

Oct
30

Atjeh, over oorlog en tsunami

By Ed Caffin  //  Blogs, Indonesië, Politiek  //  11 Comments

Op reis door Indonesië schrijf ik verhalen op plekken die iets te maken hebben met de Nederlandse en/of Nederlands-Indische geschiedenis in Indonesië. Het eerste verhaal schrijf ik in Banda Aceh, op het Nederlandse kerkhof Peucut.

 

Banda Aceh, oktober 2008

door Ed Caffin

 

Sinds ik vier jaar geleden naar Atjeh ging voor een project van de Stichting Wederopbouw Atjeh, kom ik elk jaar voor een korte of langere periode terug. De naam Atjeh roept vooral twee associaties op: de geschiedenis van oorlog en strijd met Nederland en de tsunami van 2004. Een plek waar die twee gebeurtenissen het dichtst bij elkaar komen is het oude nederlandse kerkhof Peucut dichtbij het centrum van de hoofdstad Banda Aceh. Vlak naast dit kerkhof is vanaf 2007 een enorm, modern gebouw in aanbouw; het tsunami-museum. Hoewel ik al tijdens mijn eerste bezoek aan Atjeh, net na de tsunami, voor het eerst hoorde over het nederlandse kerkhof, ga ik er nu voor het eerst uitgebreid een kijkje nemen.

 

Als ik aankom is er niemand. Ik loop de ingangspoort met marmeren platen binnen, waarin de namen staan gegraveerd van soldaten die omkwamen tijdens de Atjeh oorlogen, gesorteerd op jaartal. Het zijn er veel. Mijn blik glijdt langs de muur. Naast Nederlandse herken ik ook veel Molukse en Javaanse achternamen. Ik weet dat het KNIL naast Hollanders en Indo’s vooral veel “inlandse” soldaten had en waarschijnlijk zijn veel van de namen afkomstig van andere eilanden in de Indonesische archipel. In totaal liggen hier meer dan tweeduizend KNIL-soldaten begraven, een derde van alle gesneuvelden in Atjeh. Naast soldaten liggen er vrouwen en kinderen begraven op Peucut, en naar het schijnt een Atjehse prins, aan wie de plek zijn naam dankt.

 

Na een poosje komt een jongeman aanlopen. Hij heet Eddie Darussalam en is 30. Al een aantal jaar werkt hij hier als bewaker. Hij heeft het er naar zijn zin. “Ik kan veel met toeristen praten en wat leren over hun land”, zegt hij. Van Nederland weet hij nog niet veel meer dan dat er veel molens zijn en het land vlak is. Hij zou het graag zelf eens zien. Over de geschiedenis van Nederland in Atjeh weet hij meer. “Daar wordt op school veel over verteld. Wat Nederland gedaan heeft hier is heel slecht. Maar het is lang geleden. Toch moeten we deze geschiedenis onthouden. Het is daarom belangrijk dat het Kerkhof in stand gehouden wordt”.

Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler

Eddie poserend bij het grafmonument van KNIL-Generaal Kohler

De Nederlandse geschiedenis is op vele plekken en vele manieren in Atjeh hoor- voel- en tastbaar, maar misschien toch het meest op dit oude Kerkhof. Eddie neemt me mee naar zijn favoriete grafmonument. Het is die van KNIL-Generaal Kohler, die tijdens de eerste Atjehoorlog sneuvelde bij de Grote Moskee Mesjid Raya Baitturahman, in het centrum van Banda Aceh. Ook op die plek is een stenen gedenkplaat met inscriptie. In 1978 werd Kohler herbegraven op Kerkhof Peucut. Eddie poseert bij het graf en vertelt dat de dood van Kohler een bekend verhaal is in de Atjehse overlevering en zelfs zijn sporen heeft achtergelaten in de Atjehse taal. “Koh-ulee” betekent iemand de keel afsnijden met een rencong (Atjehse dolk). In het boek van de stichting Peucut lees ik echter dat Kohler door een kogel om het leven kwam.

Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw

Het oude kerkhof, met op de achtergrond het tsunami museum in aanbouw

We lopen terug vanaf het grafmonument naar de ingang en kijken naar het tsunami-museum in aanbouw. De enorme buitenmuur doemt het tientallen meters boven de omheining van het Kerkhof uit. “Tijdens de tsunami was ik zelf in Keutapang, een paar kilometer verderop”, vertelt Eddie. “Ik voelde de aardbeving, maar dacht er niets van. Toen ik een minuut of twintig later de stad in liep kwamen schreeuwende mensen mijn kant oprennen. Ze riepen dat de zee eraan kwam. Ik geloofde het niet, maar toen ik dichter het centrum in kwam zag ik het water. Er dreven lijken, heel veel lijken. Pas een dag of twee later kon je bij het Kerkhof komen. Daar lagen ook honderden lijken, en veel van de oude graven waren enorm beschadigd”.

“We proberen de afgelopen jaren de graven te herstellen. We krijgen daarbij hulp van de Nederlandse stichting Peutjut”. De stichting doneert geld voor het herstel en behoud van het Kerkhof. Hij laat me een boek zien wat de stichting heeft laten maken. Het is een bezoekersgids waar in het Engels, Nederlands en Indonesisch de geschiedenis van het Kerkhof en de 70 jaar Nederlandse aanwezigheid in Atjeh staat beschreven. Het is er een van veel bloedvergieten. Naast de paar duizend doden aan Nederlandse kant, vielen er vele tienduizenden Atjehse doden.

 

“Ik hoop dat de Nederlandse stichting meer geld stuurt, zodat we het hier nog verder kunnen herstellen en lang mooi kunnen houden” mompelt Eddie. “Ik zal mijn kinderen later vertellen over de Nederlandse geschiedenis in Atjeh, maar ik wil het hen ook kunnen laten zien”. In het behoud van dit monument is volgens hem de lokale overheid echter niet erg geïnteresseerd. Laat staan de Indonesische overheid. Die financiert uiteraard wel de aanbouw van het tsunami-museum. Het museum zal straks het verhaal vertellen van 26 December 2004, “de dag dat de zee beefde” en Atjeh werd getroffen door de grootste ramp in de Indonesische geschiedenis. De kosten voor de aanbouw lopen in de miljoenen euro’s. En dat is niet geheel zonder controverse. Sommigen vinden dat het geld beter aan de slachtoffers had kunnen worden besteed, anderen vinden de komst van een museum te vroeg. Bovendien zijn een aantal historische gebouwen die op deze plek stonden gesloopt.

 

Net als de meeste andere mensen in Atjeh heeft Eddie veel familie en vrienden verloren door de ramp. Hij wil er niet veel over kwijt. Zijn verhaal, en van al die duizenden anderen mensen die de ramp overleefden, is moeilijk in woorden te vatten. Al kom ik hier al voor het vierde jaar, nog steeds is dat leed overal voelbaar. “De komst van buitenlandse organisaties na de tsunami heeft echter veel goeds gebracht”, zegt Eddie. Er kwam geld voor de wederopbouw, er kwamen banen, er was aandacht voor het conflict in Atjeh en de rebellen en het Indonesische leger tekenden een (voorlopig vredesakkoord). Ook werd de relatie met landen als Nederland versterkt.

 

“Maar onze dierbaren missen we nog elke dag”, besluit hij. Ik teken het gastenboek en neem afscheid. Zachtjes rij ik weg op mijn brommer, terwijl de werkzaamheden aan het museum gestaag doorgaan.

 

Oct
17

Blue Bayou, het Indische volkslied

By Kirsten Vos  //  Blogs, Gigs n music, Identiteit  //  6 Comments

bluebayouDen Haag, 17 oktober 2008
door Kirsten Vos

Een paar weken geleden heb ik gedichten voorgedragen op een festival in Den Haag. Een van die gedichten, ‘Boogie Woogie’, gaat over mijn oma. Muziek en dans speelden in het leven van mijn grootouders een belangrijke rol. Mijn grootvader heeft de halve familie leren dansen, mijn oma was de gangmaker op feesten dankzij haar geweldige pianospel.

Door een handicap kon zij op het laatst helemaal niets meer, ook geen muziek maken. In dat gedicht heb ik een verwijzing opgenomen naar Blue Bayou, dat ook wel bekend staat als het Indische volkslied. Mijn grootouders speelden dat stuk regelmatig. Toch heb ik nooit gevraagd waarom Blue Bayou het Indische volkslied heet.

Hun lp-speler stond om de een of andere reden op hun kledingkast. Een van de lp’s die ze daarop afspeelden was rood in plaats van zwart en als mijn herinneringen me niet bedriegen, stond op die rode lp het nummer Blue Bayou. Telkens wanneer mijn opa dat nummer opzette, was het alsof de zon ging schijnen. Ik zag zijn ogen oplichten, warmte vulde de achterkamer van hun Haagsche woning en ik voelde, zonder het ooit gevraagd te hebben, dat dit stuk hem deed teruggaan naar zijn moederland Indonesië.

Pas jaren later ontdekte ik dat dit stuk ook wel het ‘Indische volkslied’ genoemd werd. Het verbaasde me niets. Het hele stuk drukt een diepgeworteld verlangen uit om terug te gaan naar een warme plek waar het leven een stuk beter is dan in Nederland: hard werken en uitkijken naar betere tijden. Over het achterlaten van dat wat je dierbaar is. Het terugzien van mensen die je dierbaar zijn. Je beter voelen als je weer terug bent in Blue Bayou. En over ‘sleepy eyes’, een beschrijving die met name de ogen van mannelijke Indische Nederlanders kenmerkte. Om nog maar niet te spreken over de ‘bijnaam’ van blauwe die de Indische groep in de jaren ’50 had.

Dit zijn alleen mijn persoonlijke antwoorden op de vraag waarom we Blue Bayou het Indische volkslied noemen. Ik ben erg benieuwd naar jouw mening. Dus: luister en oordeel zelf, naar de uitvoering van Linda Ronstadt uit 1977, of lees de songtekst. Overigens heeft Andy Tielman het stuk ook vertolkt, maar de versie die ik daarvan op YouTube vond was niet van goede kwaliteit.

Oct
10

Twee Indische films in Nederlandse filmhuizen

By Ed Caffin  //  Blogs, Documentaires, Speelfilms  //  No Comments

filmmiddagDen Haag/Amsterdam, 10 oktober 2008

Door Kirsten Vos en Ed Caffin

Binnenkort draaien er maar liefst twee Indische films in de Nederlandse filmhuizen: Contractpensions – Djangan Loepah! en Ver van Familie. In beide producties staan typisch Indische thema’s centraal, zoals assimileren, schaamte en erkenning. Veel Nederlanders kennen Indo’s vooral als gezellig, vriendelijk en gastvrij. Met het uitkomen van deze films kan het Nederlandse publiek nu ook kennis maken met de andere kant van de Indische groep.

Contractpensions – Djangan Loepah is een prachtige documentaire van Scarabee Producties. Een contractpension was een pension dat een contract had gesloten met de Nederlandse overheid om – tegen een aantrekkelijke financiële vergoeding – Indische repatrianten tijdelijk op te vangen. Dat kon een gewoon woonhuis zijn, maar ook een hotel. Hetty Naaijkens – Retel Helmrich, die met deze documentaire haar regiedebuut maakt, laat overwegend Indische Nederlanders uit binnen- en buitenland aan het woord. Daarnaast komen partijen aan bod, zoals de maatschappelijk werkster, de contactambtenaar en kinderen van pensionhouders, met wie de Indische groep te maken had toen zij aankwam in Nederland.

Met deze verscheidenheid in verhalen geeft de documentaire een eerlijk tijdsbeeld van de repatriëring van Indische Nederlanders uit Indonesië in de jaren vijftig. Aan de hand van de verhalen in Contractpensions reis je als kijker anderhalf uur lang mee van het ene naar het andere pension en leef je met de vertellers mee. Zij beleven het bijna weer opnieuw en vaak zijn hun belevenissen schrijnende voorbeelden van de assimilatie van Indische Nederlanders in de jaren ‘50 en ‘60.

Even zo vaak doen de verhalen je echter in de lach schieten, door het relativerende en soms hilarische commentaar. De scène waarin een Indische dame vertelt over haar Sinterklaas-surprise, de dame die op een pasar rondvraagt wie er terugbetaalt heeft, of de toon waarop Frans Leidelmeijer voorleest uit het voorlichtingsboekje Djangan Loepah! (Niet Vergeten!) zijn niet alleen exemplarisch voor de Indische humor. Ze laten vooral zien hoe bespottelijk Indische Nederlanders de Nederlandse houding vonden.

Bewonderenswaardig is tot slot de subtiliteit waarmee Naaijkens – Retel Helmrich het verhaal zichzelf laat vertellen. Dat komt goed tot uiting in een scène waarin een naar Amerika geëmigreerd Indisch echtpaar verhaalt over hun aankomst in New York. Zij waren uit de grote groep immigranten gehaald en mochten per vliegtuig verder reizen, de rest moest met de trein. Terwijl de dame zich verbaast over deze voorkeursbehandeling (“Ik weet écht niet waarom ze ons eruit gehaald hebben, als ik had gedurfd had ik het gevraagd”), zoomt de camera in op haar blauwe ogen.

De film, het regiedebuut van Hetty Naaijkens, is een prachtig document geworden. Nooit eerder kwamen Indische Nederlanders op zo’n manier aan het woord over hun geschiedenis. Door alles heen zit een belangrijke rode draad verweven: hoe wisten de Indische ‘nieuwkomers’ na aankomst te overleven in het voor velen volstrekt onbekende ‘vaderland’? Naaijkens vond dit ‘een verhaal dat verteld moest worden.’ Lees daarover meer in het interview dat Ed een aantal weken geleden met haar had. Contractpensions – Djangan Loepah is op 8 november te zien in Leeuwarden en vanaf 11 januari 2009 in filmhuizen in Nederland. Kijk voor alle vertoningsdata op de website van Contractpensions.

Ver Van Familie is een film van Rocketta naar het gelijknamige boek van Marion Bloem en speelt een aantal decennia later, in de jaren ‘80. Ook deze productie is een ‘must see’. Ze geeft, zonder iets te verbloemen, een dieper inzicht in de pijn en schaamte die in veel Indische families aanwezig is. Het acteerwerk van Terrence Schreurs en Anneke Grönloh is bovendien zeer overtuigend.

De twee-en-een half uur durende film laat de moeizame verhoudingen zien binnen een Indische familie. Terwijl hoofdpersoon Barbie op zoek is naar haar oma, saboteren de familieleden dit weerzien: zij proberen krampachtig een groot familiegeheim te bewaren. Over Ver van familie schreef Kirsten al eerder een uitgebreide recensie op deze site. Ver Van Familie is vanaf 23 oktober te zien in verschillende filmhuizen in de grote steden. Kijk voor vertoningsdata op de website van Ver van familie.

Geef je e-mailadres op en je ontvangt automatisch de nieuwste posts in je mailbox.

Alle posts

Find us on Facebook

UA-19034130-1